Wantrouwen tegen Mensenrechtenraad is terecht

De president van de VN Mensenrechtenraad, de Poolse vertegenwoordiger Remigiusz A. Henczel (gezicht naar de camera) in gesprek met delegatieleden tijdens de Universele Periodieke Doorlichting. Foto: VN, Jean-Marc Ferré.
De president van de VN-Mensenrechtenraad, de Poolse vertegenwoordiger Remigiusz A. Henczel (gezicht naar de camera) in gesprek met delegatieleden tijdens de Universele Periodieke Doorlichting. Foto: VN, Jean-Marc Ferré.

Israël heeft dinsdag geen vertegenwoordigers gezonden naar de in Genève gevestigde Mensenrechtenraad van de VN voor de zogeheten universele periodieke doorlichting.

De raad voelt tijdens deze procedure, die eens in de vijf jaar plaatsvindt, een land aan de tand over de naleving van de mensenrechten.

Israël begon vorig jaar een boycot van de raad. Aanleiding was het besluit van deze raad om in maart een speciaal gezantschap op te zetten dat moet onderzoeken wat de gevolgen zijn van de Israëlische nederzettingenpolitiek voor de rechten van het Palestijnse volk in „bezet Palestijns gebied, inclusief OostJeruzalem.” Israël weigerde aan de missie mee te werken.

Het lijdt geen twijfel dat Israël mensenrechten van Palestijnen schendt. Israëlische en buitenlandse mensenrechtenorganisaties hebben dat aangetoond. Natuurlijk kan en moet de mensenrechtensituatie van de Palestijnen worden verbeterd.

Er valt veel voor te zeggen om de Mensenrechtenraad niet te boycotten. Israël kan daar uitleg geven waarom het handelt zoals het handelt en de adviezen opvolgen die het krijgt om de situatie te verbeteren. Het beste zou natuurlijk zijn om een vredesverdrag met de Palestijnen te sluiten, maar helaas weigert de Palestijnse president Abbas momenteel te onderhandelen.

Tegelijkertijd is het ten volle te begrijpen dat Israël een diep wantrouwen koestert jegens de Mensenrechtenraad. Deze raad heeft immers een lange historie van vooringenomenheid tegen Israël. Hij heeft inmiddels 44 landgebonden resoluties tegen Israël aangenomen, dat is 37 procent van alle gevallen. Syrië kwam acht keer aan bod in resoluties, Iran twee keer. Israël staat ook boven aan de lijst waarover rapporten zijn verschenen. Bij elke sessie verschijnt Israël als een permanent agendapunt.

De organisatie Eye on the UN heeft aangetoond dat bij de universele periodieke doorlichting landen met dictators die mensenrechten het ergste schenden, hemelhoog kunnen worden geprezen en democratieën zwaar kunnen worden bekritiseerd.

Hoe hypocriet de raad is, bleek bijvoorbeeld in december 2012, toen Mauritanië het vicepresidentschap kreeg toegespeeld. Dit is een land waar slavernij nog steeds praktijk is.

De Amerikaanse viceafgezant Alejandro Wolf sprak van „een pathologische obsessie met Israël.” Ook Maxime Verhagen, de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, leverde kritiek. „Het berispen van Israël is een soort gewoonte geworden”, zei hij in 2008.

Het is hard nodig dat de Mensenrechtenraad zijn geloofwaardigheid terugwint. Bijvoorbeeld door zich meer te richten op christenvervolging wereldwijd en op schending van de rechten van andere minderheden.

(Elke week in het Reformatorisch Dagblad ‘Israël Ingezoomd’: commentaar over Israël vanuit Israël)

%d bloggers liken dit: