Edward Said, The End of the Peace Process

The End of the Peace Process, Edward Said

 Edward Said. The End of the Peace Process: Oslo and After. New York: Pantheon Books, 2000. 

(Deze boekbespreking verscheen in juli 2000).

Het boek The End of the Peace Proces is een collectie van essays die Said tussen 1995 en 1999 heeft geschreven en die in diverse kranten en tijdschriften zijn gepubliceerd. Zoals de titel al doet vermoeden kondigt Said het mislukken van het vredesproces aan, dat in september 1993 begon met het ondertekenen van het Eerste Oslo Akkoord door Israël en de Palestijnen.

Hij lardeert de politieke stellingen met persoonlijke ervaringen, waardoor hij voorkomt dat de artikelen droge verhandelingen worden van een bureauwetenschapper. Een voorbeeld daarvan vinden we bij zijn beschrijving van Benjamin Netanyahoe toen deze nog Israëls vertegenwoordiger was bij de Verenigde Naties. Said en Netanyahoe verschenen geregeld samen in praatprogramma’s op de televisie. Said zegt dat Netanyahoe altijd weigerde met hem in dezelfde kamer te zitten. Hij vroeg een studio voor hem alleen – hoewel beiden met elkaar discussieerden. Ted Koppel legde in het programma Nightline eens uit dat Netanyahoe deze scheiding eiste. Said schrijft dat hij in hetzelfde programma opmerkte dat “het vreemde gedrag van de man” te verklaren was uit “de zionistische ideologie, die de afwezigheid, of zelfs de totale uitwissing, van de Palestijn vooronderstelt.”

Niemand krijgt er in de boeken van Said zo van langs als de leider van de Palestijnse Autoriteit, Yasser Arafat. Said verwondert zich erover dat zoveel Palestijnen geloven dat het vredesproces goed voor hen is. Het vredesproces werd met veel fanfare gelanceerd, maar de politieke leiders liepen straal voorbij aan het leed van de gewone Palestijnse man, die te kampen kreeg met een verslechterende economie. Een van de belangrijkste redenen voor de verschrikkelijke economische verslechtering is volgens Said de kosten van Arafats zeven, acht of negen veiligheidsapparaten (niemand weet precies hoeveel het er zijn) en de meer dan vierduizend geheime agenten die op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook rondlopen om de bevolking te bespioneren. De politiemacht kost de Palestijnse economie zeker een half miljard dollar per jaar. “Omdat Arafat zo veel geld uitgeeft voor de politie blijft er niets meer over voor huisvesting, onderwijs, gezondheid en welzijn”, schrijft de Palestijnse professor.

Als de afgelopen vijf jaar de Israëliërs iets onderwezen hebben, dan is het dat Arafat veel beter in staat is om het Palestijnse volk onder de duim te houden en te demoraliseren dan het Israëlische burgerbestuur (de afdeling van het Israëlische leger die tijdens de bezetting de controle uitvoerde over de Palestijnse burgerbevolking) ooit voor elkaar kreeg. Dus waarom zou Israël Arafat niet toestaan de karige stukjes grond op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook een Palestijnse staat te noemen? Volgens Said is het bij het schrijven van de artikelen nog niet te laat: het vredesproces kan nog worden stopgezet.

Het vredesproces heeft volgens hem weinig goeds gebracht. “Er zijn te veel vluchtelingen die verstoken blijven van hun huis (tenminste vier miljoen), er zijn te veel vorderingen die niet zijn ingewilligd, er bestaat te veel apartheid die tot discriminatie van de Palestijnen leidt op etnische en religieuze gronden, om zulke knoeierijen als het Oslo vredesproces te aanvaarden.” Hij noemt het vredesproces “een lapmiddel” en “een dwaze gokkerij die al meer kwaad dan goed heeft gedaan.”

The End of the Peace Proces leest als een machinegeweer, dat poogt Arafat en de Palestijnse Autoriteit neer te maaien. Het boek zou fantastische munitie zijn in de handen van degenen die de rechtse politieke partijen in Israël steunen en een gruwelijke hekel hebben aan de Palestijnse Autoriteit, ware het niet dat Said juist de toegeeflijkheid van Arafat bij de onderhandelingen met Israël zo aan de kaak stelt. Arafat had volgens Said een voorbeeld aan Syrië moeten nemen: hij had het idee van vrede en onderhandelingen moeten accepteren, maar hij had ook vast moeten houden aan principes en nationale belangen. Arafat en de kleine cirkel om hem heen zijn volgens hem eenvoudigweg niet in staat om met de immense complexe Palestijnse kwestie om te gaan.

Als er – zoals de laatste dagen door een toenemend aantal mensen wordt gevreesd– in het najaar een gewelddadige botsing uitbreekt tussen Israël en de Palestijnen – kan Said zeggen: ik heb het altijd al gezegd. “De jaren van militaire bezetting hebben bij de zwakke partij boosheid, vernedering, en meedogenloze vijandschap gekweekt”, schrijft hij. Arafat en zijn afnemende aantal supporters werden na Oslo door de Palestijnen gezien als degenen die de Israëlische veiligheid moesten garanderen. “Oslo eiste van ons onze geschiedenis van verlies en onteigening te vergeten en vaarwel te zeggen. De mensen die dat eisten hadden iedereen het belang onderwezen om het verleden niet te vergeten. Zo werden wij ironisch genoeg de slachtoffers van de slachtoffers en de vluchtelingen van de vluchtelingen.”

Ook in de vroegere Israëlische premier, Ehoed Barak, had hij geen fiducie: over Jeruzalem valt niet te onderhandelen, de joodse nederzettingen zullen grotendeels blijven bestaan, de soevereiniteit en de zeggenschap over grenzen, veiligheid, water – en luchtvaartrechten zullen in handen van Israël blijven en miljoenen Palestijnse vluchtelingen moeten blijven zitten waar ze zitten. De zwakke Palestijnse staat zal een speelbal blijven van het sterke Israël. Het werkelijke probleem is volgens Said dat Barak geen visie heeft voor coëxistentie en gelijkheid tussen Palestijnen en Israëlische joden. Barak wil beide volken van elkaar scheiden.

De boodschap van Said is juist: scheiding werkt niet, ondanks alle ongelijkheid en antipathie. De Israëliërs en de Palestijnen leven gewoon te dicht op elkaar.  Er kan volgens hem alleen sprake zijn van verzoening als beide bevolkingen en beide gemeenschappen zich neerleggen bij het bestaan van de ander als een voldongen feit. De politieke gevolgtrekking die Said maakt is dat er slechts één staat kan bestaan voor beide naties, Israëliërs en Palestijnen, die als gelijkwaardigen naast elkaar en door elkaar wonen. Dat betekent bijvoorbeeld dat de wet op terugkeer niet alleen moet gelden voor de joden in de diaspora, maar evengoed voor de Palestijnse vluchtelingen.

Op zich is de gedachte van Said niet nieuw. Er zijn andere Palestijnen die een één staat oplossing hebben gepropageerd en het idee van een twee-staten oplossing (Israël en Palestina) hebben verworpen. Said wijst er terecht op dat omstreeks de tijd dat de staat Israël werd opgericht, ook een aantal belangrijke joodse geleerden Martin Buber, Judah Magnes en Hanah Arendt – voor één joods-Arabische staat waren.

De oplossing van Said is mijns inziens onrealistisch. Said lijkt niet goed in te zien dat er aan zowel Israëlische als Palestijnse zijde een sterk nationalisme bestaat, met de daarbij behorende superioriteitsgevoelens en negatieve gedachten over de andere partij, welke integratie onmogelijk maken. Zowel joodse als islamitische fundamentalisten zullen leden van de andere natie nooit een positie van gelijkwaardigheid gunnen. Toch is het te begrijpen dat juist Said het naast elkaar leven van verschillende religieuze groepen zo propageert. Arabische christenen hebben namelijk in de afgelopen eeuw altijd gezegd dat alle mensen ongeacht hun geloof gelijke kansen moeten hebben. Deze gelijkwaardigheid zou voort moeten vloeien uit de ideologie van het seculier nationalisme – waarin christenen, moslims en joden als volwaardige burgers naast elkaar leven.

Said lijkt ook te weinig te beseffen dat Israël werd opgericht als een joodse staat, als een joods nationaal tehuis, met het doel de joden eigen politieke zelfstandigheid te geven. De ‘oplossing’ van Said zou betekenen dat Israël als joods thuisland op zou houden te bestaan. Eigenlijk vraagt Said om de opheffing van Israël en het zionistisch ideaal. Het is onrealistisch om dat van de Israëliërs te verwachten.

Eigenlijk toont het geluid dat Edward Said laat horen opvallende overeenkomsten met dat van degenen die diametraal tegenover hem staan: de mensen die de rechtse politieke partijen in Israël steunen. Beide groepen tonen een onvermogen zich in te leven in de andere partij en haar onzekerheden en angsten voor te stellen. Beiden zijn ze vervuld met wantrouwen jegens de ander. Beiden vinden ze dat alleen de eigen natie concessies doet – en niet de andere partij. Beiden schrijven “vredesproces” tussen aanhalingstekens omdat ze vinden dat het Oslo vredesproces niet tot echte vrede leidt maar tot schijnvrede en daarmee tot meer bloedvergieten. Beiden vinden dat de internationale media eenzijdig is en partij kiest voor de andere partij. Beiden leveren ze kritiek op politici die in hun ogen de belangen van hun eigen volk verkwanselen. En de allerbelangrijkste overeenkomst is dat beiden geen haalbaar alternatief hebben voor het vredesproces.

%d bloggers liken dit: