Wettelijke basis voor Israël in 1920 gelegd

Op 2 november 1917 overhandigde Arthur James Balfour, de Britse minister van Buitenlandse Zaken van 1916 tot 1919, aan de zionistische leider Chaim Weizmann een verklaring voor baron Walter Rothschild. Hij schreef dat de Britse regering welwillend stond tegenover de vestiging van een nationaal tehuis voor het Joodse volk.

Verder stelde de regering dat niets zou worden ondernomen dat de burgerlijke en godsdienstige rechten van niet-Joodse gemeenschappen in Palestina zou kunnen aantasten, of de rechten en de politieke status die Joden genieten in enig ander land. Met het eerste beloofde de regering ook rekening te houden met de Arabieren, met het tweede dat Joden in de diaspora niet zouden kunnen worden gedwongen naar Palestina te emigreren.

De verklaring was vaag. De Britse zionisten wilden graag dat het document melding zou maken van een Joodse staat. Maar de journalist en zionistische leider Nahum Sokolow voelde aan hoever de Britten wilden gaan. De zionisten konden volgens hem niet eisen dat het teveel details zou bevatten.

De zionisten zagen in de verklaring een belangrijk fundament voor een staat. Ondanks de beperkingen die de Britten later aan de immigratie zouden stellen, was de weg voor emigratie naar Palestina geopend. De Joodse gemeenschap daar kon verder worden opgebouwd.

Allenby

De regering van premier Lloyd George gaf de verklaring ruim een maand voordat de Britse generaal Edmund Allenby en zijn troepen van ANZAC(Australian and New Zealand Army Corps) Palestina op de Turken zouden veroveren. Het Britse oorlogskabinet besloot de Turken naar het noorden te drijven, omdat in 1915 het Turkse leger naar het Suez Kanaal was getrokken. Deze opmars was slechts van korte duur en de Turken bereikten er verder niets mee, behalve dat Groot-Brittannië tot de conclusie kwam dat de Turkse aanwezigheid in de buurt van het Suez Kanaal onwenselijk was. Groot-Brittannië had een vrije doorgang via deze waterweg nodig om te zorgen dat de zeeweg naar Indië vrij zou blijven.

Premier Lloyd George werd er voorstander van de Joden te gebruiken voor het creëren van een pro-Britse entiteit in Palestina. Hij geloofde ook dat Joden een enorme invloed hadden. Een belofte aan hen zou de publieke opinie in zowel de Verenigde Staten als Rusland ten gunste van de Geallieerden laten omslaan. Hij overschatte echter de invloed die Joden hadden.

San Remo

Tijdens de San Remo conferentie in April 1920 spraken Frankrijk en  Groot-Brittannië over de toekomst van Palestina. In het document over het Britse mandaat voor Palestina van 24 April werd de Balfour Verklaring opgenomen.

Op 24 juli 1922 bekrachtigde de Volkenbond ‘het Mandaat voor Palestina’. De Britse regering gaf in een bijbehorend memorandum aan de secretaris-generaal van de Volkenbond te kennen dat Transjordanië uitgesloten was van de oprichting van een Joods Nationaal Huis. Maar Joden kregen wel het recht zich overal te vestigen tussen de Jordaan en de Middellandse Zee. De mogendheden erkenden “de historische connectie van het Joodse volk met Palestina en de redenen om hun nationaal huis in dat land opnieuw op te bouwen.” De wettelijke basis voor het Joods Nationaal Huis in Palestina was vastgelegd.

Maar er was nog een lange weg te gaan. Na de Balfour Verklaring nam het wantrouwen onder de zionisten jegens de Britten toe. Ze dachten dat de Britten de Arabieren bevoordeelden ten koste van de Joden. Wat ook argwaan wekte is dat in juli 1922 de minister voor Koloniën, Winston Churchill, besloot Transjordanië aan de emir Abdullah te geven. De regering in Londen had ook beloften gedaan aan de Arabieren, omdat zij in opstand kwamen tegen de Turkse heersers.

In 1936 stelde een commissie onder leiding van Lord Peel voor Palestina te verdelen in een Joodse en Arabische staat. Zionisten waren daarover ontstemd, maar Weizmann keurde het plan goed. Het kabinet van Neville Chamberlain verwierp dit plan echter in 1939. De regering vond nu dat er een binationale Arabisch-Joodse staat zou moeten komen. Ze stelde een nieuwe White Paper op dat de immigratie beperkte tot 15.000 immigranten per jaar over een periode van vijf jaar. Deze beperking was rampzalig vanwege de Jodenvervolgingen in Nazi-Duitsland en de landen die het bezette.

Imperium

Ondertussen zagen de Britten geen kans de vrede in het mandaatgebied te handhaven. Joden en Arabieren streden met elkaar en met de Britten. Londen wist niet welke vorm de Joodse entiteit aan zou moeten aannemen. Allerlei ideeën deden de ronde.

Na de oorlog besloot Groot-Brittannië het Palestina probleem op de Verenigde Naties af te wentelen. De Algemene Vergadering richtte in 1949 UNSCOP (de Speciale Commissie voor Palestina van de VN) op. Deze adviseerde Palestina te verdelen in een Joodse en Arabische staat. De Yishuv besloot het advies aan te nemen, maar de Arabieren verwierpen het plan. De accepteerde resolutie 181 (het verdelingsplan) aan, met 33 stemmen voor, 13 tegen, en 10 onthoudingen, waaronder Groot-Brittannië.

Hoewel resolutie 181 een advies betrof en niet bindend was, gaf de Algemene Vergadering te kennen dat Joden recht hadden op een eigen staat. De Arabische landen vielen de Joodse staat aan, maar de Israëliërs wisten zich te verdedigen. De staat Israël was een feit.

 * * *

Staat was logisch gevolg van Balfour verklaring 

De Balfour Declaratie en het document Mandaat voor Palestina spraken  niet over een Joodse staat. Maar het was logisch dat dit daar naar zou leiden.

Als andere volken het recht kregen van zelfbepaling en een eigen staat op mochten richten, dan konden Joden, die als volk een lange geschiedenis hadden, daar zeker aanspraak op maken.

Bovendien hadden er sinds de intocht van de Israëlieten 3300 jaar geleden onder Jozua, Joden in dit land gewoond. De Romeinen hadden hen weliswaar uit Jeruzalem verdreven, en velen vestigden zich in andere landen, er bleef altijd een groep aanwezig.

Cambridge professor Sir Elihu Lauterpacht schreef in 1968 dat het bestaan van Israël wettelijk niet afhankelijk is van resolutie 181. Het bestaansrecht van een staat vloeit volgens hem voort uit het feitelijk bestaan zelf, vooral als dat bestaan voortduurt en erkend wordt door de merendeel van de naties. Internationaal recht deskundige professor Julius Stone schreef in 1981 eveneens dat Israël zijn bestaansrecht niet ontleend aan het verdelingsplan. Het bestaansrecht van het land is gebaseerd op het feit dat het zijn onafhankelijkheid handhaaft en een regering die een gebied op stabiele wijze bestuurt.

Om te stellen dat de wereld de Arabische Palestijnen de rekening liet betalen voor de Holocaust, is onjuist. Israël is geen gevolg van de Holocaust, maar is opgericht ondanks de Holocaust. De wettelijke basis werd gelegd in de verklaring ‘Mandaat voor Palestina’, dat in San Remo werd opgesteld en door de Volkenbond werd bekrachtigd.

Als de Britten in de jaren dertig van de vorige eeuw een onafhankelijke Joodse staat hadden toegestaan, had de Holocaust minder slachtoffers geëist. Wat de Holocaust wel deed, is bevestigen dat er een zelfstandige Joodse staat nodig was. De soevereiniteit van een ander land over Palestina – in dit geval Groot-Brittannië – bleek op het meest cruciale moment rampzalig te zijn.

(Dit artikel verscheen ook in Israël Aktueel.)

Foto: Op de begraafplaats van de ANZACS op de Berg Scopus in Jeruzalem. De Geallieerden leden grote verliezen toen ze Palestina in 1917 van de Turken bevrijdden. Foto: Alfred Muller

%d bloggers liken dit: