Wie echt luistert kan bruggen bouwen

Leerlingen op weg naar de Hand-in-Hand school in Galilea. Foto: © Alfred Muller
Leerlingen op weg naar de Hand-in-Hand school in Galilea. Foto: © Alfred Muller

Joden en Arabieren die bereid zijn naar de ander te luisteren, hebben kansen bruggen te bouwen. Het beheersen van de taal van de ander kan daarbij helpen, maar dat hoeft niet zo te zijn. Om bruggen te bouwen is namelijk meer nodig dan talenkennis.

In Israel en de Palestijnse gebieden hechten de mensen veel waarde aan de kennis van de eigen taal. Dat is dus het Hebreeuws of het Arabisch. Ook vinden de mensen het belangrijk goed Engels te kennen.
Het Hebreeuws verbindt de Joodse immigranten, die uit vele landen gekomen zijn. De nieuwe gezamenlijke taal biedt hen de mogelijkheid handel te drijven, te informeren en opdrachten uit te delen. Een gezamenlijke taal heeft een belangrijke functie bij de opbouw van de eigen nationaliteit – net als in andere landen op de wereld.
In de tijd van het Britse Mandaat waren het Hebreeuws, Engels en Arabisch de officiële talen. De Onafhankelijkheidsverklaring van 1948 beloofde vrijheid van taal. Na de oprichting van de staat bleven ook Arabisch en Engels in gebruik, maar het Hebreeuws werd in de praktijk de belangrijkste en officiële taal.
Wie geen Hebreeuws spreekt loopt het risico vroeg of laat in de problemen te geraken, met name op de arbeidsmarkt. Wie het Arabisch niet onder de knie heeft loopt dat risico niet.
Hebreeuws is de taal van het land. Arabisch is de taal die mensen in bepaalde gebieden spreken, bijvoorbeeld in de Arabisch dorpen en steden in Galilea en in de bedoeïenendorpen in de Negev. De Arabieren vormen met 20 procent van de bevolking een minderheid. Maar Arabisch is internationaal gezien belangrijker: het is de vijfde taal van de wereld en wordt door bijna 300 miljoen mensen gesproken.

Scholen

Scholen zijn Joods of Arabisch en leerkrachten onderwijzen de leerlingen respectievelijk in het Hebreeuws of Arabisch. Bovendien verplichten scholen de leerlingen Engels te leren, vanaf het moment dat ze negen of tien jaar oud zijn. Engels immers is de lingua franca.
Op de Joodse middelbare scholen moeten de scholieren verplicht een paar jaar Arabisch leren, maar in de praktijk schiet dat er soms bij in. Alleen leerlingen die Arabisch hebben als keuzevak doen er eindexamen in. Op de Arabische middelbare scholen is het Hebreeuws verplicht. Verder kunnen scholen nog andere talen onderwijzen, waaronder Russisch of Frans.
Ook op de Palestijnse scholen in de Westoever onderwijzen leerkrachten hun pupillen in het Arabisch. Engels is daar eveneens de verplichte tweede taal. Talen als Frans, Duits en Hebreeuws zijn optioneel.

Uitzondering

Scholen die aan beide talen evenveel waarde toekennen, vormen een uitzondering. Op de vier Hand-in-Hand scholen echter, leren leerlingen lezen en schrijven in zowel het Arabisch als het Hebreeuws. Dat geldt ook voor de Joods-Arabische school in Neve Shalom/Wahat al Salam. Leerkrachten zijn Joden en Arabieren en ze geven les in hun eigen moedertaal. De school gebruikt zowel Hebreeuwstalige als Arabische schoolboeken.
De scholen hebben een ideële doelstelling: ze willen het vreedzaam samenwonen tussen beide groepen bevorderen. De kans is heel groot dat ze erin slagen dat op hun kinderen over te brengen.
Maar hoe zit dat bij de leerlingen op alle andere scholen? Opiniepeilingen duiden erop dat negatieve stereotypen van de ander springlevend zijn.

Verhaal

Dat is geen wonder. Nieuwe generaties krijgen ‘het verhaal’ van hun eigen volk te horen. Het verhaal van een volk is wat de mensen elkaar vertellen over wat er is gebeurd. Het verhaal helpt de mensen hun plaats in de wereld te bepalen en de eigen groepsidentiteit te vormen. Het helpt ze ook de eigen groep in een positief licht te plaatsen.
Een ‘verhaal’ is dus niet hetzelfde als ‘de geschiedenis’. Geschiedkunde streeft naar objectiviteit en een neutrale en wetenschappelijke houding. Het verhaal is sterker dan de geschiedenis. Het is niet zo dat de verhalen geen accurate historische informatie bevatten. Maar de mensen gebruiken deze selectief: ze benadrukken bepaalde gegevens en negeren andere.
Onder Israëli’s en Palestijnen (inclusief de Palestijnse burgers van Israël, oftewel de Israëlische Arabieren) zijn de verhalen naar binnen gekeerd. Ze houden zich nauwelijks bezig met de andere zijde. Als de ander er al in voor komt, speelt deze een negatieve rol. Beide groepen ook zien zichzelf als als slachtoffer van en bedreigd door de ander.

Voorbeelden

Voorbeelden zijn er te over. De kans bestaat dat een Israëli zegt: ‘God beloofde ons het land. Het betreft een eeuwigdurende bezitting.’ Een Palestijn kan zeggen: ‘Wij vormen de inheemse bevolking van dit land.’ In het jaar 1948 vond volgens het ene verhaal de Onafhankelijkheidsoorlog plaats, volgens het andere de Nakba (catastrofe, omdat Arabieren eigendommen verloren).
De verhalen worden belangrijker naarmate de tijd verstrijkt. Des te vaker de mensen ze herhalen, des te meer nemen ze deze als waarheid aan. Het wordt steeds moeilijker de ander te overtuigen dat deze niet de volle waarheid bezit. Mensen doen nieuwe informatie af als leugens en propaganda, omdat het niet past bij het opgebouwde beeld.
Israëli’s en Palestijnen kunnen niet van elkaar verwachten dat de andere partij haar eigen verhaal loslaat. Maar ze kunnen er zich wel van bewust worden dat er verschillende verhalen bestaan. Het luisteren naar de ander is al een grote stap. Als ze het verhaal van de ander kennen, kunnen ze een gesprek beginnen. Als men het verhaal van de ander gaat begrijpen, ontstaat empathie voor de andere partij – en dat maakt verzoening mogelijk.
Ze kunnen ook het eigen verhaal kritisch onder ogen zien en dit – waar nodig – aan de hand van historische informatie corrigeren.

Brug

Het kennen van de taal van de ander kan helpen bij het bruggen bouwen. Directe communicatie is mogelijk in de moedertaal van een van beiden. Maar het hoeft niet te betekenen dat er een brug kan worden gebouwd.
Kennis van de taal van de andere partij kan ook dienen om er economisch beter van te worden of sociale vooruitgang te boeken. Talenkennis biedt ook de kans de ander in de gaten te kunnen houden (veiligheidsdienst) of aan te tonen hoe onbetrouwbaar de andere partij is (propaganda).
Maar het niet-kennen van de taal van de ander hoeft geen belemmering te zijn om de ander beter te leren kennen. De partijen kunnen zich ook bedienen van het Engels. En eventueel is vertaling mogelijk.
Het kennen van de taal is daarom noch een brug noch een barrière. Partijen kunnen pas een brug bouwen als er bereidheid bestaat naar ‘het verhaal’ van de ander te luisteren en dit te respecteren. Voor wie zijn of haar hart afsluit voor de ander in een conflictsituatie, blijft de barrière bestaan, al heeft hij of zij 20 jaar lang de taal van de ander bestudeerd. Alleen mensen die echt willen luisteren kunnen bruggen bouwen.

%d bloggers liken dit: