‘Saddam had nooit verdreven moeten worden’

Foto: Professor Moshe Ma’oz. Foto: @ Alfred Muller
Foto: Professor Moshe Ma’oz. Foto: @ Alfred Muller
De Amerikanen hebben in 2003 een grote fout gemaakt door het Iraakse regime van Saddam Hussein omver te werpen. Dat zegt de bekende Midden-Oostendeskundige professor Moshe Ma’oz van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem.

Moshe Ma’oz is er duidelijk over: het regime van Saddam Hussein was verschrikkelijk. Het bestookte de Koerden met chemische wapens. Maar de Amerikanen ontmantelden met de verdrijving van de dictator ook de buffer tegen Iran.

De Amerikanen ontbonden na de inval de Iraakse strijdkrachten en bouwden een nieuw leger op, in plaats van het oude te versterken. Het nieuwe leger verloor snel terrein aan strijders van de Islamitische Staat (IS), die dezer dagen grote successen boeken. IS heeft grote gebieden ingenomen, vooral in het noordwesten van Irak en het noordoosten van Syrië. Zijn doel is de oprichting van een kalifaat dat terugvoert naar de zevende eeuw en waar de sharia gehandhaafd wordt (zie kader).

Zeer fanatiek

Ma’oz bestempelt IS als een zeer gevaarlijk fenomeen. „De ideologie van IS-aanhangers is zeer fanatiek, fanatieker dan van welke andere organisatie ook. Er zijn goede principes in de islam, maar IS maakt gebruik van slechte principes. Daartoe behoren het afhakken van ledematen, onthoofdingen en het opleggen van een speciale belasting aan minder­heden. Het gedrag van IS-strijders is zeer angstwekkend.”

IS heeft bijvoorbeeld de controle over Mosul, een belangrijke Iraakse stad in een olierijke streek. Ma’oz vindt het verbazingwekkend dat IS-strijders ook Koerdische milities in Noord-Irak versloegen. De Koerdische peshmerga staan te boek als sterk: Israël heeft hen jarenlang getraind en hen van wapens voorzien. Ma’oz: „Het is ook voor Israël een teleurstelling dat zij het niet beter deden.”

Teleurstellend was ook de houding van Turkije. De Israëlische hoogleraar wijst erop dat Ankara het strijders van IS toestond zich via Turks grondgebied bij de rebellen in Syrië aan te sluiten. De Turkse premier Recep Erdogan heeft gezegd dat hij graag de omverwerping ziet van het regime van de Syrische president Bashar al-Assad. Ook moedigde hij IS aan om tegen de Syrische Koerden te vechten.

Minderheden

Het is de afgelopen weken inmiddels voldoende duidelijk geworden dat IS-strijders het hebben gemunt op minderheden, zoals jezidi’s en christenen. „Zij kunnen zich niet verdedigen”, schetst Ma’oz de tragiek.

Ma’oz begrijpt dat minderheden uit angst voor de opmars van groepen als IS in Syrië het regime van president Bashar al-Assad steunen. Assad behoort zelf ook tot een minderheidsgroep, die van de alevieten, een stroming binnen het sjiisme.

Ma’oz plaatst echter een kanttekening bij de steun van christenen voor Assad. „Christenen zijn –terecht of onterecht– bang dat als moslim­rebellen de macht overnemen ze afgeslacht zullen worden. Wat IS betreft hebben ze misschien gelijk, maar dat geldt niet voor de moslimbroeders of groepen als het Vrije Syrische Leger.”

Overschat

Toch gelooft Ma’oz dat het gevaar van IS iets overschat wordt. „IS-strijders hebben alleen de wapens die ze in beslag namen van het Iraakse leger. Ze krijgen geen steun van een supermacht of regionale macht. Het leger van IS blijft met 20.000 tot 30.000 strijders dan ook vrij klein.”

In Irak is IS erin geslaagd de steun te verwerven van grote soennitische stammen die wrok koesterden tegen de regering van de inmiddels afgetreden premier Nuri al-Maliki. Maar de sympathie van de clans voor IS zal afnemen als de nieuwe premier in Irak hun een vertegenwoordiging in de regering biedt en hun financiële hulp geeft.

IS vormt momenteel een gevaar voor de Iraakse regering in Bagdad. De hoogleraar acht het goed mogelijk dat de Verenigde Staten en Iran gaan samen­werken om de val van de Iraakse regering te voorkomen. „De val van de Iraakse regering zou namelijk een zware tegenslag zijn voor Iran. En de Verenigde Staten zijn al bij de strijd betrokken door de lucht­aanvallen die zij uitvoeren.”

Een teamlid van USAID in gesprek over hulpverlening met Irakezen uit Sinjar. foto: USAID
Een teamlid van USAID in gesprek over hulpverlening met Irakezen uit Sinjar. Foto: USAID

Sjiieten doen het beter dan soennieten

In het ernstig verdeelde en door oorlog verscheurde Midden-Oosten doen de sjiieten het volgens de Israëlische Midden-Oosten­deskundige Moshe Ma’oz beter dan de soennieten: ze hebben een samenhangende strategie. Veel leiders in de Arabische wereld geloven bovendien dat het sjiitische Iran een duidelijk plan heeft met het Midden-Oosten. Dat is de oprichting van een blok dat loopt van Iran, Irak, de olierijke golfstaten tot Syrië en Hezbollah in Libanon.

Iran is er al in geslaagd een bondgenootschap te vormen met Syrië en Hezbollah. Het volgende doel is Irak, waar de sjiieten 60 procent van de bevolking vormen. Ze zijn weliswaar geen Perzen, maar Arabieren. De religieuze overeenkomst is echter belangrijker dan het etnische verschil. Irak is ook belangrijk voor Iran omdat daar de grootste sjiitische centra liggen: Najaf en Karbala.

De sjiieten genieten de steun van Rusland. Vladimir Poetin geeft hun deze steun omdat hij de Amerikaanse invloed in de regio wil tegengaan. De Russen overtuigden vorig jaar het Syrische bewind van Bashar al-Assad ervan akkoord te gaan met de ontmanteling van zijn chemische wapenarsenaal, iets waardoor Syrië in de wereld goodwill kweekte. De burgeroorlog in Syrië duurt nu al drie jaar, en Assad is aan de winnende hand. Hij houdt de steun van het leger, hoewel veel Syrische soldaten zijn gedeserteerd.

Assad heeft de controle over ongeveer de helft van het land, de rest van Syrië bestaat uit puinhopen. De Syrische oppositie is in circa honderd groepen verdeeld, die er niet in slagen zich te verenigen. De kansen om het Syrische regime omver te werpen, lijken heel klein geworden. Westerse landen beginnen een minder negatieve houding tegenover Syrië aan te nemen. Assad wordt gezien als corrupt, seculier en pragmatisch, maar ook als buffer tegen de militante islam.

De soennieten daarentegen zijn ernstig verdeeld. Zo is er een conflict tussen gematigde soennitische landen en radicale soennitische groepen als IS. Ook tussen Egypte en het eveneens soennitische Turkije bestaan spanningen. Het soennitische Qatar heeft goede relaties met het sjiitische Iran en de radicaal-soennitische Hamas­beweging in de Gazastrook. „Het is een verwarrende situatie”, vindt ook Ma’oz.

Wat de plaats van Israël in dit geheel is? Volgens Ma’oz is het logisch dat Israël aansluiting zoekt bij gematigde soennitische staten. Dat zijn pragmatische landen als Egypte, Saudi-Arabië, Jordanië, enkele golfstaten en mogelijk zelfs Turkije. Deze landen staan voor dezelfde gevaren als Israël in het Midden-Oosten: zoals IS, Iran en het sjiitische blok.

De gematigde landen zijn bereid vrede met Israël te sluiten. Ma’oz: „De enige voorwaarde die zij stellen, is dat er een oplossing komt voor de Palestijnse kwestie. Met het Arabische vredesinitiatief van 2002 toonden ze voor het eerst dat ze Israël willen erkennen. Dit plan wordt gesteund door 57 moslim­naties. En ze herhalen deze bereidheid elke twee jaar. Onlangs zeiden ze ook dat ze bereid zijn landruil te accepteren. Het moeilijke punt is dat ze willen dat Oost-Jeruzalem de hoofdstad wordt van Palestina.”

Terug naar het kalifaat

De wens van de Islamitische Staat (IS) is een kalifaat op te richten. Dat moet grote delen van het Midden-Oosten omvatten, inclusief Jeruzalem.

Een kalief is een opvolger of vervanger van de profeet Mohammed (circa 570 tot 632). De kalief moest het politieke en sociale bestuur overnemen van de oprichter van de islam.

Verschillende kandidaten waren geïnteresseerd in de baan, wat vaak leidde tot ruzies en oorlogen. De sjiieten geloven bijvoorbeeld dat Mohammeds schoonzoon en neef Ali zijn opvolger moest zijn. De soennieten zien in Abu Bakr zijn rechtmatige vervanger.

In de geschiedenis zijn er verschillende kalifaten geweest. Dat van de Omajjaden in de 7e en de 8e eeuw bijvoorbeeld, strekte zich uit van Iran in het oosten tot Marokko en Spanje in het westen. Een ander belangrijk kalifaat was dat van de Abbasiden, van de 8e tot de 13e eeuw, dat het kalifaat van de Omajjaden verving.

Eveneens groot was het Ottomaanse Rijk, van de 14e eeuw tot de 20e eeuw. Dit omvatte ook het noordelijk en het noordoostelijk deel van Afrika. Het strekte zich bijna uit tot Wenen. Het Ottomaanse Rijk ging in de Eerste Wereldoorlog ten onder. Het werd in het Midden-Oosten vervangen door de Arabische landen.

Joden en christenen kregen in de kalifaten ruimte om te leven als „volken van het boek.” Ze moesten zich echter wel schikken onder de superioriteit van islam. Zij moesten als ”dhimmi’s” de ”jizya”-belasting betalen en zich aan andere discriminerende maatregelen onderwerpen.

Bat Yeor schrijft in haar boek ”Islam and Dhimmitude” dat de kalief de verkiezing van een patriarch in een kerk moest goedkeuren. Oppositie tegen de islamisering in de kerk werd de kop ingedrukt.

In de 7e en de 9e eeuw hadden sommige kerkleiders uitstekende banden met de Arabische autoriteiten. Patriarchen zamelden bijvoorbeeld enorme geldbedragen in onder christenen en leverden deze af bij de kalief. Het systeem bracht meer rijkdom en macht voor de moslimgemeenschap en richtte christenen te gronde.

Velen verlangen terug naar de glorieuze dagen van de islam met de kalifaten. De leider van IS, Abu Bakr al-Baghdadi, die zich tegenwoordig ook kalief noemt, staat een kalifaat met een strenge vorm van de sharia voor ogen.

Als model dient de moslimstrijder die door de woestijn trekt, met in het ene hand het zwaard een in de andere hand de Koran. Voor christenen en andere minderheden heeft deze strijder een duidelijke boodschap: accepteer de Koran, of ik rijg je aan mijn mes.

Dit artikel verscheen ook in RD.nl.

%d bloggers liken dit: