Huizen afbreken om terreur te voorkomen?

Vorige week bliezen Israëlische veiligheidstroepen het huis op van een terrorist die in oktober inreed op burgers die op een tramperron stonden te wachten. Bij de aanslag kwamen een Israëlische baby en een toeriste uit Equador om.

Israëlische autoriteiten zijn verder van plan de huizen te verwoesten van een aantal andere Palestijnen die de aflopen tijd aanslagen hebben gepleegd. Het hooggerechtshof heeft echter uitstel bevolen, nadat mensenrechtenorganisaties er petities tegen hadden ingediend. Eerder dit jaar blies het leger al de huizen op van de terroristen die deze zomer drie Israëlische tieners hadden ontvoerd en vermoord.

Met de verwoestingen van de huizen hoopt Israël potentiële terroristen af te schrikken. Als iemand weet dat zijn huis eraan gaat en vrouw en kinderen of andere familieleden op straat komen te staan, dan zal hij zich bedenken, zo is de gedachte.

Britten

De methode werd door de Britten voor het eerst beproefd in 1945 onder de noemer van ”noodmaatregelen”. Maar de Britten beëindigden de vernielingen voordat hun mandaat over Palestina in mei 1948 afliep. Ook Jordanië, dat de Westoever in 1948 innam, paste deze maatregel niet toe. Nadat Israël de Westoever veroverde in 1967, maakte het weer gebruik van de afbraakmethode.

Er zijn enkele grote problemen met het vernielen van huizen. Ten eerste past Israël deze afbraak selectief toe. Alleen de huizen van Palestijnse terroristen lopen gevaar, niet die van Joodse. Het huis bijvoorbeeld van massamoordenaar Baruch Goldstein, die in februari 1994 29 biddende moslims doodschoot, bleef staan. Hetzelfde geldt voor dat van Yosef Haim Ben-David, die samen met twee minderjarigen een 16-jarige Palestijnse levend verbrandden als respons op de moord op drie Israëlische jongens.

Collectieve straf 

Ten tweede betreft het een collectieve straf. Het zal iemand normaliter weinig moeite kosten daar het bezwaar van in te zien. Tegenstanders van het vernielen van huizen wijzen er bovendien op dat de maatregel verboden is. Artikel 33 van de Vierde Geneefse Conventie over bescherming van burgers in bezet gebied bijvoorbeeld zegt dat niemand gestraft mag worden voor een misdrijf dat hij of zij niet gedaan heeft.

Het derde bezwaar is dat het niet zeker is of de vernielingen helpen. Natuurlijk, het kan zijn dat iemand die erop uit was om burgers te vermoorden, zich bedenkt als hij weet dat zijn familieleden de dupe worden. Maar hoe kunnen autoriteiten dat meten? Voor hetzelfde geld kan de afbraak van een huis juist meer haat zaaien en nieuwe terroristen kweken. In 2005 stopte defensieminister Shaul Mofaz de verwoestingen nadat een comité van het leger concludeerde dat de methode niet afschrikt. In 2009 werd deze hervat. Ook andere onderzoekers hebben twijfel doen rijzen.

Knessetlid Yariv Levin (Likud) heeft zelfs voorgesteld binnen 24 uur het huis van een terrorist op te blazen. Waar slaan niet helpt, helpt harder slaan misschien – zal hij denken.

Israel Ingezoomd: elke zaterdag analyse vanuit Jeruzalem in het RD.nl

%d bloggers liken dit: