Bijbelse planten

Hysopstruiken. Alle foto's: © Alfred Muller.
Hysopstruiken. Alle foto’s: © Alfred Muller.

Bijbelse planten groeien in het land Israël in het wild. In het reservaat voor het bijbelse landschap, Neot Kedumim, dat ligt tussen Jeruzalem en Tel Aviv, staan ze echter allemaal bij elkaar.

Neot Kedumim is opgericht met het doel de mensen weer bekend te maken met de flora van de Bijbel. Twee-, drieduizend jaar geleden leefden de mensen namelijk dichter bij de natuur dan de meesten nu. Maar om de boodschap van de Bijbel goed te verstaan is kennis van het plantenleven in het land Israël vereist, zeggen de botanisten van het natuurreservaat.

010413 vijg

Een van de eerste planten die we in de lijdenstijd tegenkomen is de vijgenboom. Als de Heere Jezus optrekt naar Jeruzalem vervloekt hij deze boom (Markus 11).

De mensen die uit de richting van Jericho naar Jeruzalem trokken wandelden door een waar vijgenboomlandschap. Oude namen in dat gebied herinneren daaraan: BethFage, een plaatsje ten oosten van de Olijfberg, staat voor “jonge vijg”. Bethanië is afgeleid van BethThena, dat is hebreeuws voor: “Huis van de Vijg”.

Tak van de uitbottende vijgenboom in het voorjaar.  Alle foto's: © Alfred Muller
Tak van de uitbottende vijgenboom in het voorjaar. Alle foto’s: © Alfred Muller

Vijgen

In de tijd van het Nieuwe Testament aten de mensen blijkbaar veel vijgen. Dat moest echter wel volgens de Joodse instructies gebeuren: de Joodse wet verbiedt de eigenaar gedurende de eerste drie jaar gebruik te maken van de vruchten van een nieuw geplante boom. In het vierde jaar mocht de bezitter alleen de vruchten eten, maar hij mocht deze niet verkopen. Pas in het vijfde jaar was het hem toegestaan de vruchten te verhandelen.

Dat de Heere de vijgenboom vervloekte, is volgens Helen Frenkley, directeur van het park, begrijpelijk. “Ik werk nu 32 jaar in Neot Kedumim”, zegt ze. “Een vijgeboom was een van de eerste bomen die wij hier plantten. Deze gaf elk jaar vruchten voordat andere vijgenbomen dat deden. Maar drie jaar geleden deed hij dat opeens niet.” Ze zegt dat het dus mogelijk is van een bepaalde boom vijgen te verwachten voordat de tijd daarvoor aangebroken is. De mensen die een bepaalde plek goed kennen, weten welke boom dat is. Daarmee wordt het volgens haar begrijpelijk dat de Heere van een bepaalde boom vruchten verwachtte toen het daarvoor nog geen tijd was.

Dadelpalm, symbool van overwinning.
Dadelpalm, symbool van overwinning.

Palmtakken

Als de Messias van de Olijfberg afdaalt naar Jeruzalem, nemen de omstanders takken van de palmboom (Johannes 12:13). De groene varenbladere n zijn afkomstig van de dadelpalm, de enige palmboom die behoort tot de natuurlijke vegetatie in het land Israël. De dadelpalm is mannelijk of vrouwelijk. De palm is een typische woestijnboom, die groeit bij oases.

De palmen vervulden in bijbelse tijden een belangrijke functie. In oases bouwden mensen hun hutten van palmhout en palmtakken. Ze legden de gerijpte dadels in de zon te drogen. Deze dienden het hele jaar door als voedsel voor mens en dier. Ze verkregen dadelhoning door het zoete, dikke sap uit te rijpe dadels te persen. Van de varenbladeren maakten ze manden en touwen.

De palm was in de Tweede Tempelperiode (520 voor Chr. tot 70 na Chr.) het symbool van de overwinning. De Joodse opstandelingen bijvoorbeeld sloegen tijdens hun eerste opstand tegen de Romeinen speciale munten met afbeeldingen van de dadelpalm en de tekst “de overwinning van Sion”. De opstand brak uit in het jaar 66 na Christus en duurde tot het jaar 73. In het midden van de opstand, in het jaar 70, verwoestten de Romeinse soldaten de glorieuze Tweede Tempel.

Dat het publiek palmtakken gebruikte bij de intocht in Jeruzalem is dus niet verwonderlijk. Ze hoopten dat de Messias een verlossing zou brengen van het Romeinse juk.

De stam van de olijfboom met boter (kleine stam), die eruit groeit. Deze zijtak werd als herdersstaf gebruikt.
De stam van de olijfboom met boter (kleine stam), die eruit groeit. Deze zijtak werd als herdersstaf gebruikt.

Boom van het licht

De Heere daalt vanaf de Olijfberg naar Jeruzalem. Tot op de dag van vandaag staan er olijfbomen op deze berg aan de oostzijde van de Oude Stad van Jeruzalem. En niet alleen op de Olijfberg, maar op talloze andere plaatsen in het land: de olijfboom is tot op de dag van vandaag toe een uiterst belangrijke boom.

De olijfboom kan zeer oud worden. Sommigen zeggen duizend of zelfs tweeduizend jaar, maar wetenschappers zullen dat niet bevestigen. Een bomenkenner kan de leeftijd afmeten aan zijn wortels. In Galilea staan volgens Helen Frenkley olijfbomen die tweeduizend jaar oud zijn. En ze dragen nog steeds vrucht.

Een typische eigenschap van de boom is dat deze twee soorten uitlopers kent: een aan de stam en een aan de wortel. Bijbelvertalers geven deze bij Jesaja 11:1 respectievelijk de namen rijsje en scheut. In het Hebreeuws zijn hier twee verschillende woorden voor. De uitloper hoger op de stam, “hoter”, wordt ook door herders gebruikt als staf waarmee zij de schapen en geiten leiden. De tweede uitloper, “netzer”, wordt door de hovenier weggenomen en ergens anders geplant. Het woord netzer betekent ook “overleving”.

Olijvenoogst

Eind september, als het zomerseizoen afloopt, begint de olijvenoogst. De boeren plukken eerst de olijven die zullen dienen als voedsel. Ze zijn dan nog groen. De olijven die bestemd zijn om te worden uitgeperst, blijven nog een tijdje hangen, totdat ze zwart zijn. De mensen persten vroeger, en ook nu nog wel, met grote, zware stenen de olie uit de kleine, groene vruchten. Het woord Gethsémané is een samenstelling van twee woorden: “olie” en “pers”. De olie die uit de persen werd verkregen diende ondermeer voor het verkrijgen van licht. Priesters in de tempel zorgden ervoor dat de menora in de tempel brandde door “zuivere olie, uit gestoten olijven, voor het licht, om voortdurend een lamp te kunnen laten branden.” (Exodus 27:20).

De olijfboom zelf geeft ook licht. De bovenkant van het blad heeft een donkergroene kleur, de onderkant, bedekt met hele kleine witachtige schilfertjes, is van een lichtere kleur. Als een windvlaag over het veld met olijfbomen waait, draaien de blaadjes vliegensvlug om. Het licht springt als het ware over van boom naar boom. De boomgaard op de Olijfberg krijgt dus een associatie met herder, overleving en licht.

Een wijnstok met nog kleine ranken. Wijngaarden werden vooral aangelegd op heuvelranden.
Een wijnstok met nog kleine ranken. Wijngaarden werden vooral aangelegd op heuvelranden.

Wijnstok

De wijnstok is een klimplant met zijtakken, die ranken heten en waaraan de druiventrossen groeien. De ranken kunnen op een stellage worden gelegd, zodat de plant tevens een schaduwdak biedt voor een terras.

Tweeduizend jaar geleden dronken de mensen in het land Israël drie dranken: water, melk en wijn. In de bijbelse tijd omheinden de wijngaardeniers de tere wijnplanten met een muur of doornhaag om wilde beesten op een afstand te houden. Ze huurden werkers in, want het onderhouden van een wijngaard was arbeidsintensief. De mensen legden de wijngaarden vaak aan op heuvelranden.

De werkers snoeiden en reinigden de ranken zorgvuldig. Als ze dat niet deden, leverden de wijnstokken wilde druiven, die klein en bitter waren en daarmee ongeschikt voor consumptie. De wijnstok dient alleen voor de vrucht; de wijngaardenier kon het hout alleen gebruiken als brandhout. In de Bijbel zelf wordt Israël met een wijngaard vergeleken (Jesaja 5).

De takken van de Christusdoorn: gemakkelijk te buigen, gemakkelijk om je aan te verwonden.
De takken van de Christusdoorn: gemakkelijk te buigen, gemakkelijk om je aan te verwonden.

Doornenkroon

In het land Israël zijn ook minder vriendelijke planten. In het land komt een grote variatie netels en stekelplanten voor. De doornenplanten waren nuttig voor het maken van omheiningen. Zo kregen ze de bijnaam “bijbels prikkeldraad”.

Bijbellezers hebben in het verleden vaak geprobeerd de plant te vinden waarvan de doornenkroon was gemaakt. Natuurlijk was dat niet met zekerheid te zeggen. De beroemde Zweedse botanist Carl Linnaeus (1707-1778) identifi ceerde de Ziziphus met de doornenkroon. Hij voegde de naam “spina Christi” eraan toe. Daarmee kwam de boom dus Ziziphus spina-christi te heten, oftewel: Christusdoorn.

Voor Linnaeus” veronderstelling valt wel wat te zeggen. De boom heeft scherpe doornen, in de vorm van vishaken. De takken zijn uiterst buigzaam, waardoor het heel gemakkelijk is er een doornenkroon van te vlechten. Wie de takken beet wil pakken, moet dat uiterst voorzichtig doen, want je hebt zo een snee in de vinger.

Een probleem is echter dat de boom niet wordt gevonden in Jeruzalem. De boom groeit namelijk niet boven tweehonderd meter en de heilige stad ligt op een hoogte van zevenhonderd meter. Maar de Romeinen zouden de takken naar Jeruzalem hebben gebracht.

De nederigste plant van het land: de ezov of hysop.
De nederigste plant van het land: de ezov of hysop.

Nederigheid

De “ezov”, wat in de Bijbel wordt vertaald met hysop, is een van de meest voorkomende planten in het Midden-Oosten. Rond Pasen verschijnen er kleine witte bloemetjes aan de takken. De takken verliezen in deze tijd hun buigzaamheid en ze worden hard. De hysopstruik valt niet op: de plant wordt niet groter dan ongeveer een meter en is het symbool van bescheidenheid en nederigheid. In Psalm 51 spreekt David het gebed uit waarin hij God vraagt hem met hysop te reinigen.

Rondom Pasen krijgen bloemetjes van de plant een sterk absorberende werking. De Israëlieten konden de takken gebruiken om het bloed van het Paaslam te smeren aan de deurposten. De kleine takjes waren ook geschikt om iets te besprenkelen voor ceremoniële doeleinden. De hysopplant wordt ook genoemd in het evangelie van Johannes (19:29).

De welriekende Moriah.
De welriekende Moriah.

Moriah

Gedurende de afgelopen eeuwen zijn er tal van pogingen geweest de planten te identificeren waarvan de mensen in bijbelse tijden zalfolie en specerijen maakten. Vele opinies deden de ronde. De herkenning was moeilijk. Soms is het ook niet duidelijk of met een bepaalde term een plant werd bedoeld of een substantie die de mensen uit een plant haalden.

Onduidelijkheid bestaat bijvoorbeeld over het woord “mirre”. Botanisten hebben lang gedacht dat mirre een plant was uit Arabië en Oost-Afrika. Handelaren zouden deze vroeger naar Juda hebben geëxporteerd. Maar volgens het bijbelse park Neot Kedumim is het niet precies bekend welke plant de mirre was.

Wat wel zeker is, is dat er ook in het gebied van de Sinaïwoestijn tot in Libanon een groep welriekende planten voorkomt. Deze groep van geurige planten heet “Moriah”. Moriah is ook de berg waarop volgens de Joodse traditie Abraham zijn zoon Izak wilde offeren en waar later de tempel werd gebouwd. De elfde-eeuwse Joodse bijbelcommentator Rashi wees op het verband tussen het “land van Moriah” (het gebied waar de welriekende planten groeiden) en het Hebreeuwse woord “mor” dat waarschijnlijk mirre betekende.

Het bijzondere van deze groep planten is dat ze wat vorm betreft lijken op de menora. De menora is ook de zevenarmige kandelaar die voor het licht zorgde in de tempel. In de Bijbel wordt deze kandelaar volledig in botanische termen beschreven, compleet met bloemkelken, knoppen en bloesems (Ex. 25:31 en 40).

De menora werd het symbool voor het Joodse volk in de afgelopen 3000 jaar. Het teken is te zien op openbare gebouwen, op graven, op mozaïekvloeren in synagogen en studiehuizen. De menora is ook het symbool van de huidige staat Israël. Op het embleem van de Joodse natie staat de beroemde zevenarmige kandelaar afgebeeld tussen twee olijftakken met daaronder het woord “Israël”.

010418 ceders

Dit artikel verscheen ook in het Reformatorisch Dagblad in april 2001. 

Tekst en foto’s: copyright © Alfred Muller. 

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: