‘Niemand kwam ons helpen’

Uit het archief: dit gesprek met George Kolang had ik in 2007 voor het Nemagazine. Ik leerde hem kennen in onze kerk in Jeruzalem. Hij inmiddels teruggekeerd naar Zuid-Sudan in het kader van een regeringsprogramma. Zuid-Sudan staat vandaag op instorten

George Kolang kan die zondag van 26 mei 2002 niet vergeten. De evangelische gemeente waar hij deel van uitmaakte hield een luidruchtige kerkdienst in een vertrek, gemaakt van hout en gras, in het dorp Kerial, in de Sudanese deelstaat Jonglei.

Plotseling stormden soldaten van het regeringsleger het gebouw binnen en openden het vuur. Vier mensen vonden de dood, waaronder zijn vader en zijn vrouw Mary Nakoang.

In Sudan woedde de burgeroorlog tussen noord en zuid. De bevolking kwam in 1983 in opstand tegen de pogingen van de regering in Khartoem het zuiden de islam op te leggen. Naar schatting twee miljoen mensen stierven door oorlogsgeweld, honger en ziekte.

Nu is George een van de 2000 Sudanese vluchtelingen in Israël. We ontmoeten elkaar in een coffeeshop in het centrum van Jeruzalem. Hij heeft de hele dag gewerkt in het Crown Plaza Hotel. Evenals de meeste andere broeders uit Zuid-Sudan is hij lang en mager.

Rebellen 

Als George begint te vertellen, verdwijnt zijn glimlach. Hij kijkt droef naar de tafel als die donkere herinneringen boven komen. De soldaten namen hem gevangen. Hij zag zijn zoon Michael, die in 1998 werd geboren, niet meer terug. Zijn moeder voedt hem nu op. Hij bracht drie maanden door in de gevangenis, eerst in Malakan en later in Khartoem. Zijn ondervragers sloegen hem om een bekentenis af te dwingen dat hij de rebellen in Zuid-Sudan steunde.  Hij ontkende. De beschuldiging dat de kerk de rebellen steunde was een voorwendsel om de gemeente aan te vallen.

Na drie maanden werd hij te werk gesteld als veehoeder bij een moslim zonder te worden betaald. Zijn baas stond hem evenwel toe na zijn werk een presbyteriaanse kerk te bezoeken. Bij het derde bezoek arresteerden veiligheidstroepen hem op straat. Ze lieten hem na een week vrij en waarschuwden hem niet weer naar de kerk te gaan of te vertellen wat hem was overkomen.

Schoonmaakwerk 

Hij ontmoette evenwel mensen van zijn Nuer stam bij een rivier. Ze hielpen hem op de boot naar Egypte te komen. In Caïro kreeg hij schoonmaakwerk in het huis van een lid van de presbyteriaanse kerk die hij bezocht. In december 2005 woonde hij een demonstratie van Sudanese vluchtelingen bij. Toen hij naar huis keerde, werd hij gearresteerd en verhoord op het politiebureau. Na dit voorval vertelde een broeder in de kerk hem dat het erop leek dat ze hem naar Sudan wilden deporteren en dat hij het beste kon vluchten.

In december 2005 hielpen bedoeïenen in de Sinaï  hem en twee anderen de grens over te komen. Ze kwamen bij een legerpost en de soldaten haalden de immigratie-autoriteiten erbij. Die brachten hem naar de gevangenis, waar hij een jaar verbleef. De behandeling was goed en hij en andere asielzoekers in de gevangenis hielden bidstonden. “We vroegen de Heer ons te beschermen, ons in de vrijheid te stellen, in het licht te laten wandelen en ons te leiden.”

Evangelische gemeenten

Na een jaar werd hij vrijgelaten. Hij kreeg toestemming te werken. Hij, en een aantal andere Sudanese broeders en zusters, bezoeken nu evangelische gemeenten in Jeruzalem.

Israëlische regeringswoordvoerders hebben gezegd dat Israël 500 vluchtelingen uit Darfur toestemming geeft te blijven. Dit zijn vooral moslims. De overige circa 2500 vluchtelingen uit Afrika die illegaal het land zijn binnen gekomen moeten het land uit. Daartoe behoren de 1700 christenen uit Zuid-Sudan. Het is nog niet bekend of, wanneer en naar welk land de uitzetting zal plaatsvinden.

“Ik zou graag de Bijbel willen bestuderen”, zegt hij. “En rechten. Als er recht is in de wereld, waarom geeft dan niemand om ons? De moslim regering voerde een Jihad in ons land. Niemand kwam helpen, niemand stelde vragen.”

%d bloggers liken dit: