Christelijk Palestijns gezin in Oost-Jeruzalem: we hebben maar één vijand

Louiza en Nabil Kort hebben twee zonen van elf en acht jaar en een dochter van vier. Ze wonen in de Arabische wijk Beit Hanina in Oost-Jeruzalem. Ze zitten op een christelijke school vlak bij hun huis, maar daar geven ook moslims les. Verder zijn een groot gedeelte van de ongeveer 500 kinderen moslims.

58542721_2250656201680109_2060671668774240256_n

Toen ze kinderen kregen, vroegen ze zich af, naar welke school ze hen zouden sturen, vertelt Louiza Kort. „Op de katholieke scholen leren kinderen over Maria en bidden tot de heiligen. De particuliere Anglicaanse school heeft een uitstekende reputatie, maar die is voor ons onbetaalbaar. Deze school was gesticht door een evangelische christen en leek écht christelijk.”

Kansen 

In de laagste klassen horen de kinderen veel verhalen over de Heere Jezus, maar in de hogere klassen komt het christelijk geloof minder ter sprake. Ook christelijke kinderen volgen lessen over de islam. Dat biedt ouders weer kansen. „Onze kinderen zeggen als ze thuis komen: We hebben dit en dat van de moslimleerkracht gehoord. Is dat juist? Dat geeft een geweldige kans om de informatie te corrigeren.”


Christelijke kinderen volgen lessen over de islam


Haar echtgenoot Nabil is niet alleen toeristengids, maar ook voorganger van een evangelische gemeente in Oost-Jeruzalem. Ze benadrukt verschillende keren dat het niet eenvoudig is kinderen christelijk op te voeden. „Christenen zijn een minderheid onder joden en moslims. De klas bestaat uit 25 kinderen, waarvan 4 of 5 christen zijn; de rest is moslim. Er is een kloof in de manier van denken, de mentaliteit en het geloof. De meesten in onze buurt zijn moslims. Onze kinderen spelen niet op straat, alleen in de tuin rond het huis.

Beïnvloed

Wij als ouders hebben een belangrijke taak in de opvoeding van de kinderen. Maar helaas zijn er tijden dat ze beïnvloed worden door andere kinderen. Thuis geven we hun op een vriendelijke wijze een standje. We houden ze voor: Dit mag je niet zeggen. Ik kan zien dat de kinderen zelfs op deze leeftijd al het conflict ervaren om Jezus te volgen in deze donkere wereld.

Neem mijn zoon van elf. Wij hebben onze kinderen geleerd niet te zweren. Bij ons is ja ja en nee nee. De anderen zweren voortdurend. Zelfs als ze liegen, zweren ze. Als een kind niet zweert, geloven andere kinderen dat kind niet. Maar mijn oudste zoon wil nu ook gehoord worden. Hij wil niet helemaal anders zijn.


Als een kind niet zweert, geloven andere kinderen dat kind niet


Wij onderwijzen onze kinderen: Als iemand je pest, je duwt of uitscheldt, ga je eerst naar de leerkracht. Als het weer gebeurt, zeg je duidelijk: Stop. De derde keer mag je jezelf verdedigen. Je kan terug duwen, maar niet op een manier die de ander bezeert. Mijn oudste zoon zegt: Mama, denk je dat we nog baby’s zijn met al die regels? De anderen, of ze nu moslims of christenen zijn, slaan elkaar steeds.

Pro-Palestijns 

Of neem nationale studies”, vervolgt de Palestijnse. „Die gaan over aardrijkskunde, de economische situatie, biologie, de mensen van het land, het Arabisch-Israëlisch conflict. Wij vertellen onze kinderen: Wij hebben maar één vijand. Dat zijn niet de Arabieren, niet de moslims en zeker niet de Joden of Israëliërs. De vijand is satan. De lessen zijn pro-Palestijns. De kinderen wordt onderwezen dat de Israëliërs de Arabieren laten lijden. Daar zit wat in, maar er zitten twee kanten aan de medaille. We vertellen de kinderen: Je moet niet voor één kant kiezen. Als christenen moeten we voor beide volken bidden.

We woonden ook in een Joodse wijk. Dat was in een tijd waarin er grote spanning bestond tussen Israël en de Palestijnen. We vertelden onze kinderen geen Arabisch te praten op straat. Een vriendin, een moslima in hijab, kwam ons opzoeken. De kinderen liepen al voor ons uit en waren al in het trapportaal. Gelukkig hebben ze niet gezien wat er gebeurde. De buren gooiden eieren naar haar. Toen ik in huis was, beefde ik. Ik kon niet geloven wat er was gebeurd. Ik voelde me verworpen door de buurt. Ik ging naar een van de buren en zei: „ Wij zijn christenen, wij haten niet en zijn niet verbitterd. Ik wil dat je dat de hele buurt vertelt.” Ik wilde mijn kinderen dit soort ervaringen besparen. Soms lukt het, soms niet.


Ik voelde me verworpen door de buurt


Opvoeding is de taak van de ouders, en dan komt de kerk. De kerk is er ook voor omgang met elkaar. We zoeken elkaar thuis op als families. We hebben picknicks en de kinderen spelen met elkaar. Vorig jaar hadden we een zomerkamp voor de kerk met Bijbelstudie. De kinderen vonden het heel leuk. Dan is er zondagsschool. Ze krijgen gedegen onderwijs over de Bijbel, maar er is ook tijd voor spelletjes. In de kerk hebben we ook jeugdwerk op vrijdagavond, met Bijbelstudie en gesprekken over de problemen waarmee ze zitten.”

Toekomst 

Zij en haar echtgenoot denken veel na over de toekomst. Ze kan zich voorstellen dat de kinderen later in het buitenland zullen studeren. Het leven daar hoeft niet gemakkelijker te zijn, maar er zijn wel meer kansen. „Hier zijn de mogelijkheden beperkt. Als we niet gelovig waren, hadden we het land wellicht al jaren geleden verlaten. Maar we vragen steeds wat Gods wil in ons leven is.”

Dit deel verscheen in de serie over christelijke opvoeding in het buitenland in het Reformatorisch Dagblad. 

image001.png

Jemima is een christelijke organisatie die zich richt op het verlenen van zorg aan mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking in Bethlehem. Maakt u dit mede mogelijk?

www.jemima.nl