11 september 2001: dagboekaantekeningen uit Jeruzalem
„We zijn inmiddels heel wat gewend. Maar de terreuraanslag op het WTC in NY, het Pentagon in Washington en in Pittsburgh sloeg alles. Het gaat om de grootste terreuraanslag in de geschiedenis. De grootste aanval op de Verenigde Staten sinds Pearl Harbor. Omtrent het aantal doden kan men alleen maar gissen. Eerste cijfers spreken van 10.000. Het wordt tijd dat het Westen eindelijk eens een gezamenlijke vuist maakt tegen terrorisme. Het zal me benieuwen wat er allemaal gebeurt.”
Dit schreef ik in mijn dagboek op 11 september 2001 in Jeruzalem. De catastrofale aanslag in New York veroorzaakte een grote schok in Israël. In Israël zelf waren aanslagen aan de orde van de dag.
3 September
Ik blader een paar dagen terug. In de nacht van 2 op 3 schrokken we twee keer wakker. Om even na middernacht knalde een bom uit elkaar in een zijstraat. Om twintig voor vier een ontploffing in de wijk Ma’alot Dafna. We hebben niet meer geslapen.
Toen Judith om zes uur wegging naar haar werk was er veel politie op straat. Blijkbaar waren er aanwijzingen dat er weer iets zou gebeuren. Dat was geen vergissing. Om 7:45 was het opnieuw raak. Ik schreef: „Zeer harde knal. Het huis schudt letterlijk. Onmiddellijk daarna de sirenes.”
Filmmaker Willy Lindwer zou mij die morgen ophalen met de taxi. Op de Hebreeuwse Universiteit wilden we een interview doen met professor Moshe David Herr. Maar de politie sloot onze straat af. Ik moest eerst een stuk lopen naar een afgesproken punt. Ik pakte mijn camera en liep naar buiten, waar ik op grote afstand – of misschien met een te wijde lens – foto’s maakte. Wat me trof, was dat de takken van de boom waaronder de autobom uit elkaar spatte, tientallen meters door de lucht vlogen.
Ik pakte mijn camera en liep naar buiten
De bom ging af op het moment dat er veel kinderen naar school gaan. Toch raakte hier slechts één jonge vrouw gewond. Later bleek het om een zuster te gaan die bij ons in de kerk zat en in het leger diende. Zij raakte slechts licht gewond.
Een muurtje
De volgende dag, dinsdag 4 september 2001, schreef ik: „Voor de tweede opeenvolgende dag wakker geworden door een bomexplosie. Vandaag in de Profetenstraat. De zelfmoordenaar (verkleed als een orthodoxe Jood) werd ontdekt door de grenspolitie. Hij grijnsde en liet de bom ontploffen. Zijn hoofd en andere lichaamsonderdelen vlogen over een muurtje en belandden op het schoolplein tussen kinderen van de katholieke St. Joseph school.”
En toen 9/11. Judith belde van haar werk op Yad Vashem dat in New York een vliegtuig tegen een torenflat was aangevlogen. Ik zette de televisie aan. Wat was er aan de hand? Toen de tweede toren. Het was duidelijk. Israël sloot het luchtruim af voor buitenlandse vliegtuigen, de veiligheid rond Amerikaanse gebouwen werd opgeschaald, defensieminister Binyamin Ben-Eliezer zegde zijn bezoek aan het buitenland af. Minister Shimon Peres (Buitenlandse Zaken) noemde de terreur een gevaar voor de wereld, die op elke plaats, zonder waarschuwing, toe kan slaan. Op het ministerie van buitenlandse zaken werd een spoedberaad gehouden.
Zo’n catastrofe kan alleen maar in de film
Op woensdag 12 september schreef ik: „Als ik de Hollywood films zag dacht ik altijd: zo’n catastrofe kan alleen maar in de film, zoiets kan nooit in werkelijkheid gebeuren. Ik had nooit gedacht dat de horror aan de fantasie kon ontsnappen. Opeens vallen alle terreuraanslagen in Israël erbij in het niet. Wie had dat kunnen denken? Iedereen hier hoopt dat de wereld nu wakker wordt voor het gevaar van terreur. Zo niet, dan gaan de volgende keer mogelijk een miljoen.
Helemaal onverwachts komt het niet. Het blad Foreign Affairs, dat ik al jaren lees, waarschuwt al lang voor aanvallen op de Amerikaanse bevolkingscentra. Maar experts dachten vooral aan aanslagen met chemische of biologische wapens. Het zal me benieuwen wat er zal gebeuren in de komende dagen.”
Foto: autobom in Jeruzalem, 3 september 2001 © Alfred Muller
