Huizenstrijd rond het graf van de rechtvaardige

Een deel van het huis van de 87-jarige Rifka al-Kurd, dat zonder bouwvergunning is gebouwd, is inmiddels overgenomen. De hoogbejaarde dame vertelt naast het tentje dat in de tuin staat dat er een rechtszaak loopt over het andere deel, waar ze nu nog woont.
Mariam Al-Ghawi voor het huis dat ze is kwijtgeraakt.
Ahmad Rwaidy, verantwoordelijk voor Oost-Jeruzalem zaken namens de Palestijnse Autoriteit, zittend, en Xavier Abu Eid, een communicatie adviseur van de eenheid voor onderhandelingen van de PLO (staand). Foto's: Alfred Muller.

Jeruzalem – Mariam Al-Ghawi zit in de schaduw van een boom tegenover het huis waar ze is uitgezet. Op de plaats waar ze eens haar wasgoed hing, staat nu een grote chanoekakandekaar. Ze vertelt dat er zeven Palestijnse gezinnen in haar huis en de aangrenzende huizen woonden, met in totaal 35 personen. Naast haar bevindt zich een van de buren en een blonde Britse activist met een zwart-witte kaffiya om zijn hals, ten einde zijn solidariteit te betuigen.

 Al jarenlang speelt in de wijk Sjeik Jarrah een juridisch conflict over het gebruik van land. Volgens sommige Joodse bronnen bevond zich in deze streek van Jeruzalem het graf van Shimon HaTzadik (Simon de Rechtvaardige). Hij was een Joodse hogepriester uit de vierde eeuw voor Chr., die Alexander de Grote (356 tot 323 v.Chr.) ervan zou hebben overtuigd de Tweede Tempel niet te verwoesten. Joodse pelgrims hebben in de geschiedenis tochten gemaakt naar zijn graf. Dat zou zich op een afstand van ruim een kilometer ten noorden van de Oude Stad bevinden – het oudste gedeelte van Jeruzalem.

 De Joodse gemeenschap

Joden kochten in de negentiende eeuw een stuk grond bij het graf, waar ze huizen op bouwden. Volgens de Israëlische organisatie Ir Amim, die zich inspant voor een oplossing voor Jeruzalem waar zowel Israëli’s als Palestijnen zich in kunnen vinden, viel de Joodse gemeenschap uit elkaar in de jaren twintig en dertig in de vorige eeuw en in de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948. Dit deel van Jeruzalem werd in 1948 door de Jordaniërs ingenomen.

In 1956 plaatste de Jordaanse regering en de UNRWA (de VN instantie die zich bezighoudt met de Palestijnse vluchtelingen) 28 Palestijnse vluchtelingen in huizen in de buurt van het graf. In ruil daarvoor gaven ze hun vluchtelingenstatus op en betaalden ze een symbolische huur. In 1967 werd dit deel van Jeruzalem door de Israëli’s veroverd.

In 1972 kregen de gezinnen te horen dat ze huur moesten betalen aan het Sefardische Gemeenschap Comité en het Knesset Israël Comité, die een eigendomsclaim op de huizen hadden gelegd. Op grond van 19e eeuwse documenten probeerden deze twee organisaties het land te registreren in hun naam bij de Israëlische landregistratiedienst.

De meeste Palestijnen weigerden te betalen. Amal Al-Kasem, bewoonster van Sjeik Jarrah en lid van het ‘verdedigingscomité’, vertelt dat de Palestijnse gezinnen in 1972 een advocaat in de hand namen. Deze sloot zonder medeweten van de gezinnen een contract met de twee organisaties. De overeenkomst bepaalde dat de Palestijnse bewoners als “beschermde huurders” “sleutelgeld” moesten betalen. Het bedrag liep volgens haar behoorlijk op, omdat ze ook moesten betalen over de voorgaande jaren. De meeste Palestijnse gezinnen verwierpen de deal. In 2002 belandden de eerste gezinnen op straat.

Deel overgenomen

We ontmoeten tijdens deze tocht verschillende Palestijnen die hun huizen zijn uitgezet of met uitzetting worden bedreigd. Een deel van het huis van de 87-jarige Rifka al-Kurd, dat zonder bouwvergunning is gebouwd, is inmiddels door Joden overgenomen. De hoogbejaarde dame vertelt naast het tentje dat in de tuin staat dat er een rechtszaak loopt over het andere deel, waar ze nu nog woont.  

Ze staat niet alleen in de strijd. Ze haalt er foto’s bij van de demonstraties die Joden, Arabieren en buitenlanders vrijdagmiddags houden in solidariteit met de Palestijnen. “Ik heb de bezetting meegemaakt van de Britten, de Jordaniërs. Maar zoiets als dit heb ik nog niet eerder gezien”, zegt ze. “Ik heb een 65-jarige dochter. Als ze komt of weggaat, duwen ze tegen haar aan. Dat is geen manier om je te gedragen. Wij Palestijnen hebben geen rechten.”

Een paar straten verderop bevindt zich de Arabische persclub. Achter een tafel zit Ahmad Rwaidy, verantwoordelijk voor Oost-Jeruzalem zaken namens de Palestijnse Autoriteit. Volgens hem heeft geen Israëlische archeoloog ooit kunnen bewijzen dat Shimon HaTzadik hier begraven ligt. Hij vertelt dat er momenteel vijf gevallen van dreigende huisuitzettingen in het hof dienen. De functionaris heeft weinig hoop op goede afloop. “Het is gemakkelijk voor het hof een excuus te vinden om de Palestijnen op straat te zetten”, zegt hij.

Duizenden claims

Tot ons spreekt ook Xavier Abu Eid, een communicatie adviseur van de eenheid voor onderhandelingen van de PLO. Zijn directe baas is de Palestijnse hoofdonderhandelaar Saeb Erekat. “Joodse organisaties kunnen hier land claimen, maar wij hebben duizenden claims in West-Jeruzalem in wijken als Ein Kerem en Katamon”, zegt hij, doelende op de Arabieren die daar in de oorlog van 1948 hun huizen verloren.

Abu Eid is christen en komt oorspronkelijk uit Bethlehem. “Israël noemt Jeruzalem zijn eeuwige hoofdstad. Dat is een religieuze positie. Wij als christenen kunnen ook wel bepaalde claims gaan maken. De enige manier om verder te komen is het internationale recht.”

Hij wijst erop dat Palestijnen niet voor verdeling van Jeruzalem zijn, maar wel voor een gezamenlijk bestuurde stad, met Israëlische soevereiniteit in West-Jeruzalem en Palestijnse in Oost-Jeruzalem. De  oplossing die hij ziet is een tweestatenoplossing. Maar in het geval Israëli’s ook de rest van het land willen claimen, dan zegt zijn baas Erekat: “OK, dan maar eenstatenoplossing.” Dat wil zeggen: één staat voor zowel Israëli’s als Palestijnen.  

Eenstatenoplossing

Voorstander van een eenstatenoplossing is ook Arye King. Hij bedoelt echter niet het soort eenstatenoplossing die Erekat wil, met gelijke burgerschap voor iedereen. Palestijnen moeten volgens King het Jordaanse staatsburgerschap krijgen. “Palestijnen kunnen stemmen voor het parlement in Amman. Hier worden ze ingezetenen. Vrede wordt niet bereikt door het land te verdelen. Er is geen plaats op de wereld waar dat goed is gegaan.”

King neemt ons mee op een tocht door de wijk, die zich dicht aan de grens met de Joodse wijken bevindt. Op het eerste gezicht lijken het allemaal Arabische huizen, maar King wijst erop dat er zich hier een rijke Joodse historie bevindt. Een flatgebouw dat we zien zou speciaal voor Joden zijn gebouwd, met balkons waarop Joden in het najaar gemakkelijk loofhutten zouden kunnen bouwen. Nu is de flat in Arabische handen. We passeren onder meer een winkel waarvan de winkelier het sleutelgeld wel betaalt. Dat de huurweigeraars het huis zijn uitgezet, hebben ze volgens hem aan zichzelf te wijten.

Hij brengt ons naar een groot zwart hek met de woorden ‘Graf der Koningen’. Hij vertelt dat hier zich het graf bevindt van Shlomzion HaMalka, oftewel Salome Alexandra of Alexandra van Jeruzalem (139–67 BCE), een Joodse koningin. Een Franse dame kocht het gebied in 1924 en ze bepaalde dat er vrije toegang voor de Joden zou zijn, omdat er koningen, koninginnen en rabbijnen begraven liggen. Verder bevond zich op het terrein het grootste rituele bad (‘mikwe’) in Israël. Nu worden hier volgens King Palestijnse culturele activiteiten gehouden en het gebied is niet open voor Joden. “Jeruzalem is deel van ons lichaam”, zegt hij. “Wie Jeruzalem wegsnijdt, doodt de Joodse natie. Joden zonder Jeruzalem zijn geen Joden.”

Hier een verkorte versie van het artikel in het RD

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close