‘Iran achter aanslag’

De Israëlische premier Benjamin Netanyahu heeft gisteren gezegd dat „alle tekenen” erop duiden dat Iran achter de aanslag in het Bulgaarse Burgas zat.

„In de laatste maanden hebben we Iraanse pogingen gezien om Israëliërs in Thailand, India, Georgië, Kenia, Cyprus en andere landen aan te vallen.”

Hij wees er ook op dat het gisteren precies achttien jaar geleden was dat er een aanslag plaatshad op een Joods gemeenschapscentrum in Buenos Aires, Argentinië. Die werd door Iran gepleegd. Israël zal volgens hem „krachtig” reageren op de Iraanse terreuraanslag.

Defensieminister Ehud Barak zei dat de terreuraanslag waarschijnlijk is uitgevoerd door Hezbollah, Hamas, de Islamitische Jihad of een andere groep, die alle worden gesponsord door Iran. Hij zei vastbesloten te zijn de daders en wie hen gezonden hebben te identificeren en „de rekening te vereffenen.”

Zowel Iran als Hezbollah heeft redenen om aanslagen te plegen. Iran heeft in de afgelopen jaren te kampen gehad met liquidaties van nucleaire wetenschappers. De door Iran gesponsorde Libanese Hezbollah beschuldigt Israël van de moord op haar topleider Imad Mughniyeh, in 2008 in Damascus. Iran en Hezbollah beschuldigen Israël van het plegen van de aanslagen, iets wat Israël heeft ontkend noch bevestigd.

Oost-Europa is de laatste jaren een populaire vakantiebestemming geworden onder Israëliërs, nadat de relaties met Turkije verslechterden en zij dat land begonnen te mijden. Israëlische bronnen zeiden gisteren echter dat er geen specifieke aanwijzingen bestonden voor een mogelijke aanslag in Burgas.

Nitzan Nuriël, voormalig hoofd van Israëls bureau voor terreurbestrijding, zei tegenover de krant The Jerusalem Post dat Hezbollah of Iran de daders kan hebben gerekruteerd in de Bulgaarse moslimgemeenschap of vanuit Turkije naar Bulgarije gezonden kan hebben. „Hezbollah heeft een aanwezigheid in Bulgarije en er zijn eerdere pogingen verijdeld.”

De Israëlische nieuwswebsite Ynet wees er deze week op dat het Iraanse regime diep verontrust is over de golf van aanslagen op nucleaire wetenschappers. De al-Qudsstrijdmacht van de Revolutionaire Garde dient daarom aanslagen op Israëlische doelen uit te voeren. Deze organisatie heeft 15.000 agenten, cellen over de hele wereld, en houdt zich bezig met het smokkelen van wapens.

Ynet meldt dat al-Quds de blik aanvankelijk richtte op Israëlische ambassadeurs en andere hooggeplaatsten. Na de moord op de vijfde nucleaire specialist, in december vorig jaar, besloten Iraanse geestelijke leiders echter dat al-Quds zijn activiteiten diende uit te breiden.

Hezbollah verleende in het verleden assistentie bij de operaties van al-Quds. Hezbollah ontkende gisteren echter elke betrokkenheid bij de aanslag. Een bron vertelde de Libanese media dat zijn organisatie de dood van Mughniyeh niet zal wreken op Israëlische toeristen.

In de afgelopen maanden zijn er diverse aanslagen op Israëlische doelen verijdeld. Vorige week arresteerden de Cypriotische autoriteiten een 24-jarige man van Libanese komaf en met een Zweeds paspoort die inlichtingen verzamelende over de reizen van Israëlische toeristen. Premier Netanyahu wees zondag met de beschuldigende vinger naar Iran.

In Kenia werden in juni twee Iraniërs gearresteerd die worden verdacht van het voorbereiden van bomaanslagen. De twee hadden onder meer verkenningen uitgevoerd bij de Israëlische ambassade. Netanyahu beschuldigde eerder dit jaar Iran van aanslagen of pogingen daartoe in Georgië, India en Thailand.

In de Israëlische media is ook gesuggereerd dat Netanyahu de aanslag in Burgas kan gebruiken als excuus om Iran aan te vallen. Iran treft volgens inlichtingendiensten voorbereidingen om nucleaire wapens te kunnen produceren. Israël wil voorkomen dat Iran deze wapens krijgt en er is veel gespeculeerd over een mogelijke luchtaanval op de Iraanse nucleaire installaties.

Overigens zijn de meningen over een aanval in Israël verdeeld. Tegenstanders wijzen op de enorme binnenlandse en regionale consequenties.

(Dit artikel verscheen ook in het Reformatorisch Dagblad op 19 juli 2012.)