Gevluchte Joden hebben recht op compensatie

Twee jonge Jemenitische immigranten zien voor het eerst sneeuw in een opvangkamp in Rosh Ha'ayin in Israël. Aanvankelijk waren er in Israël te weinig huizen voor de Joodse vluchtelingen. Foto: GPO.
Jemenitische immigranten in een opvangkamp in Rosh Ha’ayin in Israël tijdens het ‘Tu Bishvat’ feest. Foto: GPO.

In september 1948 arresteerde de politie Herzliya Lokai uit Arbil: een kleine stad in Irak. Herzliya gaf daar les over de Joodse cultuur via de ondergrondse organisatie Jamia.

De geheime dienst verhoorde en martelde haar. De autoriteiten hadden in haar huis een document gevonden waaruit bleek dat ze contacten had met Israël. Dat was het land waarmee Irak op dat moment in oorlog was. Steun aan het zionisme was een misdaad.

Om een lang verhaal kort te maken: ze belandde in de gevangenis, waar ze anderhalf jaar verbleef. Vier maanden na haar vrijlating verliet ze Irak, op weg naar Israël. De Iraakse regering had emigratie voor Joden mogelijk gemaakt. Maar de prijs die ze moesten betalen was hoog: de regering stond erop dat ze geld en bezittingen achterlieten. Lokai was lang niet de enige Joodse die vertrok.

Het eerste jaar in Israël was heel moeilijk, maar ze wist een nieuw leven op te bouwen. Ze vertelde haar verhaal in 1987 aan een tribunaal in de Verenigde Staten dat bijeenkwam op verzoek van de Wereldorganisatie van Joden in Arabische landen.

Het vertrek van de Joodse gemeenschap in Irak kwam niet uit de lucht vallen. De Iraakse minister van Buitenlandse Zaken, Fadel Jamali, had eerder al gewaarschuwd dat „elke onrechtvaardigheid” die de Arabieren in Palestina zouden ondergaan „de harmonie” tussen Joden en nietJoden in Irak zou verstoren.

Niet alleen de Joden in Irak werden het slachtoffer van vijandige sentimenten. Ook Joden uit andere Arabische landen werden verdreven of vluchtten vanwege haat en vervolgingen. In totaal verlieten tussen 1948 en 1952 circa 850.000 Joden de Arabische landen. Driekwart kwam in Israël terecht, de rest in Europa en Amerika. Hun aantal was groter dan het aantal Arabische Palestijnen dat werd weggedreven of wegvluchtte.

In de afgelopen decennia hebben vertegenwoordigers van deze Joden geprobeerd hun zaak onder de internationale aandacht te brengen. Ze boekten daarbij matig succes.

De gevluchte Joden werden in veel gevallen goed opgevangen en integreerden succesvol in hun nieuwe vaderland. Het probleem lijkt dus opgelost. Maar het onrecht blijft.

Vertegenwoordigers van de Joodse vluchtelingen uit Arabische landen voerden begin deze maand nog het woord in het Canadese parlement. Ze hoopten daar te bewerkstelligen dat Canada stelling neemt voor Palestijnse én Joodse vluchtelingen in het geval het tot een vredesovereenkomst tussen Israëliërs en Palestijnen komt.

Behoefte aan terugkeer naar hun oude woonplaatsen hebben ze niet, maar ze verlangen wel naar erkenning en compensatie. Dat is logisch en terecht. Het is echter de vraag in hoeverre deze kwestie verbonden kan worden aan de Palestijnse kwestie. Het betreft tenslotte een zaak tussen Israël en de Arabische landen. Als Israël daar ooit akkoorden mee sluit, zal de Joodse uittocht zeker ter sprake moeten komen.

(Elke week in het Reformatorisch Dagblad: Israël Ingezoomd, commentaar op gebeurtenissen in Israël en omstreken vanuit Israël.)