Opkomst en ondergang van het vredesoverleg

John Kerry op een van zijn vele missies naar het Midden-Oosten. Foto: State Department/Flickr.
John Kerry op een van zijn vele missies naar het Midden-Oosten. Foto: State Department/Flickr.

Keihard werkte de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Kerry, sinds juli vorig jaar. Hij wilde de Palestijnen en Israëliërs helpen een vredesakkoord te bereiken. Na acht maanden is de fut eruit. Het lijkt erop dat de Amerikanen een stap terug doen. Over de opkomst en de ondergang van het vredesoverleg.

De Amerikanen moedigden de besprekingen steeds aan. Geen wonder. De Amerikanen veronderstellen dat een vredesakkoord de veiligheid van Israël en de Palestijnen dient. Een onopgelost conflict in het Midden-Oosten kan bovendien leiden tot instabiliteit. Een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten betekent slachtoffers, vluchtelingen en negatieve gevolgen voor de economie. Dan is er nog een andere reden, die alles te maken heeft met het alternatief: geen Amerikaanse leider wil geconfronteerd worden met de opties die ontstaan als tweestatenoptie mislukt (zie kader).

De Amerikaanse president George Bush (senior) oefende na de Golfoorlog van 1991 druk uit op de toenmalige Israëlische premier Yitzhak Shamir om mee te doen aan een vredesconferentie. Twee jaar later, in 1993, sloten Israël en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO het eerste Osloakkoord over wederzijdse erkenning en toekomstige vredesonderhandelingen. Dit akkoord werd gevolgd door akkoorden over Palestijns zelfbestuur. Beide partijen wilden voor het einde van een vijfjarige autonomieperiode een definitief vredesakkoord bereiken. Maar daar is het tot op de dag van vandaag niet van gekomen.

Pogingen zijn er genoeg gedaan. In 2000 en 2001 bijvoorbeeld voerden Israël en de Palestijnen intensief overleg. De Amerikaanse president Bill Clinton stelde zelfs „parameters” op die de contouren aangaven voor een vredesregeling. Ook de Israëlische premier Ehud Olmert voerde intensief overleg met de Palestijnse president Mahmud Abbas.

Uiterste best

Ook de Amerikaanse president Barack Obama deed zijn uiterste best. Nadat hij in 2009 aan de macht kwam, bemoeide hij zich persoonlijk met het vredesproces. Hij achtte de stopzetting van de uitbreiding van de Joodse nederzettingen op de Westoever (het Bijbelse Judea en Samaria) van doorslaggevend belang.

In maart 2013, vlak na het begin van zijn tweede ambtsperiode, bracht hij een bezoek aan Israël om het verminderde vertrouwen in de VS op te vijzelen. Maar het vredeswerk zelf hevelde hij over naar zijn minister van Buitenlandse Za|ken, John Kerry. In juli 2013 begon het overleg weer. De bedoeling was om het voor 29 april eens te worden over een vredesakkoord dat zou voorzien in twee staten: Israël en Palestina. Kerry bracht het ene bezoek na het andere aan Jeruzalem en Ramallah en de Amerikaanse afgezant Martin Indyk bleef ter plekke aanwezig om te helpen.

Het mocht allemaal niet baten. De kloof bleef diep op het gebied van grenzen, de status van Jeruzalem, het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, de veiligheidsmaatregelen en de erkenning van Israël als Joodse staat.

Toen bleek dat een vredesakkoord te hoog gegrepen was, kwam Kerry met een nieuw idee: een raamwerkplan. Dat zou de brede contouren voor een vredesregeling moeten aangeven. Ze zouden dat raamwerk kunnen gebruiken bij verdere onderhandelingen.

Essentiële eisen 

In het contourenplan wilde Kerry rekening houden met de essentiële eisen van beide partijen. Het plan zou uitgebreid ingaan op de Israëlische veiligheidseisen. Daardoor zou Israël meer soepelheid kunnen betonen op andere gebieden, bijvoorbeeld op het gebied van de grenzen.

Israël wenste controle te houden over de Jordaanvallei om de invoer van wapens naar de Palestijnse staat of de komst van terroristen te voorkomen. Ook wil Israël de duur van zijn presentie in de Jordaanvallei afhankelijk maken van de Palestijnse prestaties op het gebied van de veiligheid. Verder zou Israël controle willen uitoefenen over het luchtruim en stations voor vroege waarschuwing bij dreigende incidenten op de Westoever willen houden. Verder eiste de Israëlische premier Benjamin Netanyahu dat Palestina Israël zou erkennen als Joodse staat.

President Abbas echter wenste op Palestijns grondgebied geen Israëlische soldaten meer te zien. Hij stelde voor dat troepen van de NAVO, aangevuld met een Jordaanse krijgsmacht, onder Amerikaans bevel, zorg zou dragen voor de veiligheid. Israël voelde echter niets voor de komst van een internationale krijgsmacht. Deze was met name in Libanon onvoldoende bij machte of bereid om terreur te stoppen. Ook weigerde de Palestijnse president Mahmud Abbas Israël als Joodse staat te erkennen.

Toen bleek dat het raamwerk geen kans maakte, werd het idee gelanceerd om slechts beide partijen het eens te laten worden over voortzetting van de vredesbesprekingen na 29 april. Deze zouden in dat geval nog een tijdje kunnen doorsukkelen. Abbas weigerde dit echter te beloven.

Veel geraas

De afgelopen dagen zakte het gammele bouwwerk met veel geraas verder ineen. Israël weigerde zaterdag de laatste 26 van in totaal 104 Palestijnse gevangen „met bloed aan hun handen” vrij te laten omdat de Palestijnen weigerden te beloven dat ze zouden doorgaan met onderhandelen. Palestijnen echter zeiden dat Israël had beloofd alle gevangenen vrij te laten in ruil voor opschorting van hun pogingen om internationale erkenning te krijgen bij VN-organisaties. Palestijnen achtten zich nu van deze toezegging ontheven. Dinsdag kondigde Abbas aan dat Palestina het lidmaatschap zou aanvragen bij vijftien internationale instellingen, waarvan de meeste zijn verbonden aan de Verenigde Naties.

Kerry zegde daarop zijn bezoek aan Ramallah afgelopen woensdag af. Hij had met Abbas willen praten over de zogenaamde ”Pollard deal”. Deze overeenkomst had moeten bepalen dat Israël de laatste van de 26 Palestijnen en 400 andere Palestijnse gevangenen vrijlaat. Verder zou Israël beloven de uitbreiding van de nederzettingen op de Westoever af te remmen. De VS zouden Jonathan Pollard vrijlaten, die al 28 jaar gevangenzit voor spionage voor Israël. De Palestijnen zouden slechts moeten beloven dat ze na 29 april zouden doorgaan met onderhandelingen. Maar voor Abbas was het welletjes.

Het blijft echter mogelijk dat de partijen de komende dagen besluiten om na 29 april de onderhandelingen voort te zetten. Niet dat ze geloven dat daar wat uitkomt, maar omdat ze niet door de internationale gemeenschap verantwoordelijk willen worden gehouden voor de totale mislukking van het vredesproces. Maar de kans dat de partijen in de toekomst wél bij elkaar komen, is gering. De kans op een vredesakkoord over twee staten is nagenoeg dood, de weg is open voor alternatieven.

(Dit artikel verscheen op 5 april 2014 ook in het RD.)