Archeologen graven prehistorische dorpen op

Israëlische archeologen hebben overblijfselen gevonden van zeer oude nederzettingen in Jeruzalem en ten oosten van het Meer van Galilea.

De Israëlische Oudheidkundige Dienst zei woensdag dat er in de Arabische wijk Shuafat, in het noorden van Jeruzalem, twee huizen zijn gevonden die volgens de dienst 7000 jaar oud zijn. De huizen kwamen boven de grond bij de aanleg van een weg.

Uit de ontdekking blijkt volgens de directeur van de opgravingen, Ronit Lupo, dat er in de vroege oudheid een bloeiende nederzetting bestond in de Jeruzalemregio. „De ontdekte gebouwen zijn van een standaard die niet onderdoet voor de architectuur van gebouwen in Jeruzalem.”

Typerend voor kopertijd

De voorwerpen die de archeologen in de twee huizen aantroffen, zijn typerend voor de kopertijd. Daartoe behoren aardewerk, sikkels voor de oogst, beitels, boorapparaten en bijlen voor de bouw.

Ook vonden ze een kraal van kornalijn. Daaruit blijkt dat mensen juwelen maakten of importeerden. De huizen werden over een lange periode gebruikt, aldus de onderzoekers.

Eerder zijn voorwerpen uit de kopertijd gevonden in de Negev, het kustgebied, Galilea en op de Golan. Maar ze waren bijna geheel afwezig in de Judese heuvels en Jeruzalem. Naast koperen voorwerpen gebruikte de mens stenen voorwerpen in de kopertijd.

 

Wadi Ein-Gev

De Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem maakte woensdag intussen bekend dat archeologen bij opgravingen in de Jordaanvallei een dorp hebben blootgelegd dat volgens de onderzoekers 12.000 jaar oud is. De nederzetting, die archeologen NEG II hebben genoemd, lag in de wadi Ein-Gev, aan een beekje ten oosten van het Meer van Galilea.

De voorwerpen die de onderzoekers vonden, zijn zowel typerend voor de oude steentijd als de nieuwe steentijd, waarvan het begin door de onderzoekers wordt gedateerd op ongeveer 11.000 jaar voor Christus.

De directeur van de opgraving, dr. Leore Grosman, zegt dat kennis over deze overgangsperiode belangrijk is om te begrijpen hoe in de oudheid jagers en verzamelaars zich in landbouwgemeenschappen vestigden. De Bijbelse aartsvaders kwamen rond 2000 voor Christus in Kanaän. Beide dorpen zijn duizenden jaren ouder, aldus de onderzoekers.

Dit artikel verscheen ook in het Reformatorisch Dagblad.

%d bloggers liken dit: