‘Het was verboden te rouwen’

Leesha Rose

Oud-verzetsstrijdster, Holocaust-overlevende en auteur van het bekende boek De tulpen zijn rood, Leesha Chava Rose, is vorige maand overleden in Jeruzalem.

Hieronder het interview dat ik in 2005 met deze in 1922 geboren opmerkelijke vrouw had.

“Niemand vangt je op”

Oud-verzetsstrijdster Leesha Rose is even stil als ik vraag naar de opvang van Holocaust-overlevenden. “Niemand vangt je op”, zegt ze. Ze loopt naar de keuken om thee te zetten. Vervolgens verdwijnt ze in een kamer om drie boeken te pakken. Twee dikke pillen met namen van mensen die in de oorlog Joden hielpen en een boek ‘Oegsgeest in bange dagen’.

Onder de naam Liesje Bos zat ze, als joods meisje tussen niet-joden, van augustus 1943 tot mei 1945 in het verzet in Leiden en Oegstgeest. Ze zorgden voor onderduikadressen en voedsel voor honderden Joden. Daarvoor werkte ze als verpleegster in het Joodse ziekenhuizen in Amsterdam. Drie keer ontsnapte ze aan deportatie. Toen de oorlog begon, rondde ze haar middelbare schoolopleiding net af in Den Haag.

Ze zoekt naar woorden als het gaat over 5 mei 1945. “Hoe zal ik het zeggen? Mijn vreugde was zo groot toen ik zag dat iedereen naar buiten ging, bloemen gooide naar de soldaten, elkaar omhelsde en kuste en danste in de straten.” Dan verandert de toon van haar stem. “Maar ik kon niet dansen. Na de eerste vreugde was er ook een enorm verdriet in mij omdat mijn ouders er niet bij waren.”

Bert Rose

Ze woont samen met haar man Dr. Bert Rose op een flat in Jeruzalem, dat uitzicht biedt op het Israël Museum. Ze ontmoette hem tijdens de bevrijding. Op een weg hielden zij en een vriendin een auto aan, waar hij in zat. Hij was geestelijk verzorger voor de Joodse soldaten in het Canadese leger. Na de oorlog keerde hij terug naar Ottawa om te demobiliseren, maar ze bleven corresponderen.

Op een dag kwam dat vreselijke moment. Als ze er weer aan denkt, trommelt ze met de vuisten op tafel. “Ik sloeg met mijn vuisten tegen de muur. Het deed pijn. Ik voelde handen die mij van de muur aftrokken. Ik voelde dat als mijn ouders en broers niet mochten leven, ik ook geen recht op leven had. Ik had de neiging uit de wereld te stappen.”

Het bericht kwam via het Internationale Rode Kruis. Voor elk slechts drie regels: datum van aankomst in Westerbork, datum van deportatie en naam van bestemmingskamp, en plaats van overlijden. Haar vader Yeshayahu Bornstein, haar moeder Chana en haar kleine broertje Jackie werden in Auschwitz vermoord. Haar twee jaar jongere broer Paul werd van het leven beroofd in Sobibor.

Antwerpen 

Maar tijd om te rouwen was er niet. Zij kwam via de Joodse Brigade – de Joodse afdeling in het Britse leger – in contact met een man die haar vroeg te helpen bij de illegale emigratie naar Palestina. Zij moest Joden naar Antwerpen brengen. Van daar uit brachten anderen ze naar Marseille, waar ze op de boot gingen.

Leesha kreeg van de Stichting 40-45 en de regering een beurs om medicijnen te studeren. Twee jaar later vertrok ze echter naar Canada, waar ze met Bert Rose trouwde. Ze waren in 1950 en 1951 anderhalf jaar in Israël, waar Bert Joodse filosofie studeerde en zij sociaal werk verrichtte onder nieuwe immigranten uit Jemen en Noord-Afrika. Daarna gingen ze terug naar Noord-Amerika.

Long Island 

“We woonden in Long Island. We hadden veel vrienden, maar geen familie. Ik ging niet zitten huilen, maar nodigde vrienden uit. Mensen die geen seider hadden konden bij ons terecht. Mijn zoon en dochter konden als ze wilden veel vrienden uitnodigen. Het huis stond open.”

Een onderwerp was taboe: de Holocaust. Vijfentwintig jaar heeft ze niet kunnen praten. Ze wilde er geen boeken over lezen en er geen films over zien. “Ik geloof niet dat we konden rouwen. In mijn boek schreef ik later dat ik het vreselijk vond dat ik nooit zeven dagen heb gezeten om te treuren over mijn familie en dat mijn vrienden en familieleden komen om te troosten. Het was verboden voor mijn eigen gevoel, want ik wist niet hoe ik het zou kunnen verwerken. Daarom deed ik mijn best om het in te houden.”

Waarom begon u er pas in 1970 over te spreken? 

“Mijn zoon Jackie studeerde een jaar aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Ik ontmoette hem op een regenachtige avond tijdens Chanoeka. Opeens begon hij vragen te stellen. Ik wilde er niet over praten. Ik wilde mijn kinderen ook geen stigma geven. Vlak na de Holocaust dacht iedereen dat ze zich als schapen lieten afslachten. Dat is niet zo, maar ik wilde mijn kinderen dat verdriet niet aandoen.”

Vlak voor de Grote Verzoendagoorlog in 1973 emigreerden Leesha en Bert Rose naar Israël. Toen was er weer geen tijd om over de Holocaust te praten, want iedereen was druk bezig met de oorlog. Langzamerhand werd bekend dat ze in het verzet had gezeten. Een paar Holocaust historici drongen er in 1975 bij haar op aan het verhaal op te schrijven. Voor onderzoek ging ze naar Yad Vashem, waar ze iedereen leerde kennen.

“Het schrijven was vreselijk moeilijk. Het was net of ik het steeds weer mee moest maken. Het enige wat ik kon doen was het schrijven met de hand. Toen ik schreef, wisten de tranen de woorden uit. Het boek, De tulpen zijn rood, kwam in 1978 uit. Het heeft me niet geholpen: ik heb nog altijd nachtmerries. Maar het heeft me geholpen bij het doceren. Ik vind dat deze kennis niet verloren mag gaan. Ik moet de Joden waarschuwen sterk te staan. Dat ze het recht hebben om hier te zijn.”

Ze vertelde groepen in Yad Vashem wat ze had meegemaakt en ze spande er zich voor in dat Yad Vashem de Nederlanders die Joden hadden gered eerde. “Die mensen verkeerden in groot gevaar. Ze hebben hun leven gewaagd. Als de Gestapo de mensen vond die Joden hadden geholpen, werden ze ook naar het concentratiekamp gebracht.”

“Voor mij bestaat er geen verschil tussen mensen: jood, katholiek of protestant. Zolang je je maar gedraagt als een mensenkind. Iedereen heeft hetzelfde recht te leven. God heeft het je gegeven. Dat is jouw recht als mensenkind. ”

Leesha Rose 3

Foto’s:

Boven: Leesha Rose in de dagen van de oorlog.

Top: Leesha Rose op het balkon van haar flat in Jeruzalem. in 2005. Foto: © Alfred Muller.

%d bloggers liken dit: