Door het oog van Rubinger

De beroemde Israëlische fotograaf David Rubinger is vandaag 92 geworden. Hij fotografeert nog steeds. Dinsdag kwam ik hem nog tegen op een persconferentie.

Hier het interview dat ik in 2008 met hem had. Dat was ter gelegenheid van het 60 jarig bestaan van Israël.

‘We waren idealistisch’

De Leica M-8 ligt op het bruine bureau naast het computerscherm. David Rubinger verlaat zijn huis in Jeruzalems Katamon wijk nooit zonder dit instrument mee te nemen. Aan de muren hangen een aantal foto’s van beroemdheden. De drie soldaten die de Westelijke Muur bereiken tijdens de Zesdaagse Oorlog ontbreken niet. Bij Israëls oorlogen was Rubinger te vinden aan het front.

Was u soms bang?

“Niet soms. De hele tijd! [Lacht]. Je hebt een invloed op het moreel van de soldaten. Ik heb vaak gezien dat de soldaten, kinderen nog, zoiets dachten als: ‘Aha, het moet hier veilig zijn want die ouwe idioot is hier, en hij hoeft hier niet te wezen. Hij kan ook bij een generaal zitten en daar een sigaret roken en een kop koffie drinken.’ Het was natuurlijk helemaal niet veilig, maar zo dachten ze nu eenmaal. In werkelijkheid ging het om zeer slechte situaties.

Vertelde uw vrouw Anni u niet: David, blijf toch thuis?

Ik ben een van de weinige fotojournalisten, die zo lang getrouwd zijn gebleven. De meeste van mijn collega’s die ik kende, raakten gescheiden. Je beroep zorgt dat je altijd weg bent. Mijn vrouw hield het bij mij uit, Gode zij dank. In het begin kon ik nauwelijks rondkomen. Ik had een goede baan bij de Britse overheid gekregen omdat ik in het Britse leger diende. Maar ik wilde fotograaf worden. Mijn hele familie zei: ‘Je bent een crimineel, je vrouw is zwanger en jij verandert van baan?’ Ik verdiende 27 pond per week. Dat was toen een zeer goed salaris. Als fotograaf verdiende ik slechts vijf tot zeven pond. Mijn vrouw bleef mij trouw. Anders had ik dit niet kunnen doen.

Wat was het gevaarlijkste moment?

Ik weet het niet. In de Yom Kippoeroorlog bijvoorbeeld hadden we het front nog niet eens bereikt toen we in een hinderlaag vielen van de Syrische artillerie. Ze hadden blijken gezien waar we zaten. Ze bliezen de hele plek op waar ons bataljon was. Dat was niet prettig.

Als je onder vuur ligt is er weinig om foto’s van te maken. Eigenlijk fotografeer je niet de oorlog. Vooral een moderne oorlog niet, als tanks elkaar van een afstand van twee, drie kilometer beschieten. Ik fotografeerde de vreselijke gevolgen van de oorlog: de gewonden, de doden, de brandende tanks.

U was er vanaf het prille begin bij, toen de staat werd geboren. Als u het begin vergelijkt met nu, wat is dan het verschil?

Alles is nu anders. We waren idealistisch. We hadden een sterk geloof in ons gelijk. Idealisme combineerde zich met een sterke morele kwaliteit. Israël was relatief sterk. Het werd bewonderd door de hele wereld. Als je in Nederland kwam en je paspoort liet zien, zeiden ze: ‘Ah, Israël’. Dat is niet meer zo.

Ik breng het terug op één punt: de grootste ramp die ons overkwam was de overwinning van 1967. Een ding zou een nog grotere ramp geweest zijn: niet winnen. Maar ook winnen was een ramp. Alles veranderde. Op moreel gebied en wat geld betreft. Mensen schaamden zich vroeger als ze te veel verdienden. Dat was niet netjes. Het sociale gevoel was zeer sterk en overheersend in Israël. Dat is verdwenen, vanwege de gekte die ontstond na de overwinning.

De meeste mensen begrijpen niet wat de werkelijke reden voor de euforie was. Ze denken dat dat was omdat Israël opeens zo groot was. Het had de Sinaï in handen, de Golan, de Westelijke Jordaanoever, alles. Maar de euforie was de psychologische reactie op een drie weken lang gevoel dat we verloren waren. We dachten dat we de oorlog niet zouden overleven. Of dat we de oorlog alleen zouden overleven tegen een hoge prijs. Het stadion in Ramat Gan zou een begraafplaats worden voor 40.000 doden voor het Tel Aviv gebied alleen. Als je plotseling na zes dagen wakker wordt met overwinning, raak je buiten je zinnen. Dat is wat er gebeurde met de staat Israël.

De mensen vragen mij: ‘huilde je werkelijk toen je die beroemde foto van de drie soldaten maakte?’ Ja, ik huilde. Ik huilde met bijna alle mensen daar. Maar ik huilde niet omdat ik religieus ben. Niet omdat de Westelijke Muur een speciale beketenis voor mij had. Het was omdat we nog leefden. Drie weken lang deden allerlei zwarte moppen de ronde. Het gevoel was dat tenminste een, twee procent van de bevolking de oorlog niet zou overleven. Het was slechts 19 jaar na de oorlog van 1948. Toen verloren we een procent: 6000 van de 600.000.

De angst, het trauma was zo sterk, dat toen de overwinning kwam die in de ogen van velen geen menselijke overwinning was, maar een goddelijke. Mensen konden een dergelijke overwinning niet behalen. Dat bestaat gewoon niet. Als je maar een beetje religieus bent, zeg je onmiddellijk: ‘God wilde het, je hebt het recht op alle gebieden, op geheel Palestina’. Op dat moment werd de messiaanse beweging geboren.

Hoe kwam u toen in de Oude Stad terecht?

Ik was de avond tevoren in de Sinaï met de brigade van generaal Tal vlak bij El Harish. Op de intercom van de militaire communicatie hoorde ik dat er iets broeide in Jeruzalem. Een Franse helikopter pikte de gewonden op. Ik zag kans zonder toestemming aan boord te komen. Ik kwam terug in Beerseba, waar mijn auto geparkeerd stond en ik reed terug naar Jeruzalem. Ik arriveerde in Jeruzalem om zes of zeven uur ’s morgens. Eerst bezocht ik mijn gezin, dat ik drie weken niet gezien had. Ik parkeerde mijn auto ergens. Ik wandelde de stad in en kwam de trappen af [bij de Westelijke Muur] via de Mugrabi Poort.

Toen u daar met de soldaten was, werd er toen nog geschoten?

Ja, maar de strijd in de Oude Stad was niet erg zwaar. De zwaarste gevechten waren bij de Ammunitie Heuvel in Sjeik Jarrah. Ik lette niet op het schieten. Iedereen was heel opgewonden.

Die drie soldaten kwamen er toevallig aangelopen. Ik had geen idee wie ze waren. Het gebied tussen de huizen en de muur was niet groter dan deze kamer [ca. 3 bij 5 meter]. Om een beetje van de hoogte van de muur in beeld te krijgen, ging ik op de grond liggen. Ik maakte drie plaatjes, terwijl ze daar stonden en keken.

U heeft de staat Israël in de afgelopen 60 jaar van zeer dichtbij gadegeslagen. Wat is zijn grootste verworvenheid en waar bent u het meest in teleurgesteld?

De grootste verworvenheid is de totale verworvenheid. In zestig jaar zijn we gegroeid naar een bevolking van zeven miljoen. We zijn leiders op het gebied van landbouw, en op het gebied van wetenschap, hightech en economie zijn we niet slecht. We hebben grote militaire capaciteit. De andere kant van de medaille is de bezetting. De bezetting ruïneert ons moreel en financieel totaal. De underdog wordt altijd sterker en die bovenop zit wordt moreel zwakker.

In uw boek zien we foto’s van Golda Meir en Ehud Olmert in de keuken aan het werk.

Sommige mensen vragen me: gebeurt in Israël alles in de keuken? Bij Golda wel. Ik had een vriend bij de Mossad. Hij was naar Marokko geweest op een geheime missie. Hij vertelde me vele jaren later dat hij ‘s nachts thuis kwam. Om twee uur ’s nachts ging de telefoon. Iemand zei: ‘Golda wil je onmiddellijk spreken.’ Ze wil een verslag van Marokko. Hij kwam bij Golda thuis die in haar nachtpon in de keuken stond, thee aan het zetten was en hem vroeg naar zijn rapport.”

Een redacteur van Time Magazine vertelde mij: ‘Ik kan genoeg fotografen krijgen die scherpe foto’s kunnen maken. Daarvoor heb ik je niet nodig. Ik heb je nodig om contact te maken met je onderwerpen, om een band van vertrouwen met ze op te bouwen. Geef ons de foto’s die anderen niet hebben.’

Mijn theorie is dat je fair moet zijn. Als je niet fair bent, maar je als een paparazzi opstelt, laten de mensen je niet meer bij je in de buurt komen. Je moet geen misbruik maken van dingen die het publiek niet hoeft te weten. In een democratie is het niet nodig te zien hoe een premier spaghetti eet en de spaghetti uit zijn mond hangt.

Er was bijvoorbeeld een beroemde foto van een Amerikaanse presidentskandidaat, die een gat in zijn schoen had. Dat te laten zien is geen paparazzi methode, want het zegt iets over de man. Namelijk dat hij niet pretentieus is, dat hij geld uitspaart en dat hij geen schoenen weggooit die een gat hebben.

Toen ik een foto maakte van Begin die zijn vrouw hielp met haar schoen, was hij verschrikkelijk geïrriteerd. Nu durf ik deze met een gerust hart te publiceren, want het zegt iets over het karakter van de man. Ik plaatse de foto destijds niet, omdat hij er boos over was. Toch zei zijn dochter de volgende dag tegen me: ‘Vader is dom. Hij weet niet wat goede public relations is.’

Het is een grijs gebied. Ik was in het huis van Olmert, waar we een interview hadden. We waren lange tijd buren geweest. Toen het interview afgelopen was, zei zijn vrouw tegen mij: ‘David, ga niet weg. Vandaag is het zijn beurt de afwas te doen.’ Dat is wat je krijgt als een goede relatie met de mensen opbouwt. Ik had ook een goede relatie met Sharon. Hij wist dat ik niet een van de zijnen was. Als Sharon politiek hier was, was ik daar. [Rubinger wijst met de wijsvingers van beide handen in twee verschillende richtingen.] Toen er eens een vergadering was waar vrij geheime en gevoelige zaken besproken werden, zei iemand: ‘We kunnen niet vrijuit praten, want de fotograaf is hier.’ Sharon zei daarop: ‘Ik ken David. Ik vertrouw hem. En ik weet dat hij niet op mij stemt.’

Dat is het vertrouwen dat je over de jaren opbouwt. Het kost jaren. Toen ik begon te werken, had ik Life, Look, Picture Post, Saturday Evening Post, Quick, Ster, Paris Match.Jonge fotografen hebben dat niet meer. Ik kon erop vertrouwen dat een eindeloos aantal tijdschriften mijn foto’s zouden plaatsen. Je krijgt geen foto van Golda die haar kleinzoon voedt door op de deur te kloppen en te zeggen: ‘Ik heb een uur en ik een paar foto’s van u nodig voor de krant.’ Om haar aan te tafel te zien zitten en haar hem eten te zien geven moet je een week of tien dagen bij haar in de buurt zijn. En een verhaal over haar doen. Er is vandaag geen tijdschrift die zich dat kan permitteren, behalve National Geographic Magazine. Er is geen tijdschrift die iemand twee weken lang naar Barak kan sturen om een intiem, portret van de man te maken. Ze willen het plaatje nu direct. Op het internet, in twee minuten. Ik zou niet weten hoe je vandaag nog de foto’s kunt maken die mijn generatie maakte.

Waar gaat de fotojournalistiek naar toe? Iedereen kan voor weinig geld zeer goede camera’s kopen.

Nogmaals, er is een markt meer. Iedereen wil alles onmiddellijk. Mensen nemen foto’s met mobieltjes en zo. Als het een goede foto is komen ze een seconde mee op de TV. Maar dat is geen fotojournalistiek. Fotojournalistiek heeft vandaag geen afzetgebied meer. Voor de TV kan je misschien nog een documentaire maken, als je goed genoeg bent. Maar wie gaat een fotograaf nog een opdracht geven?

Als ik naar een oorlogsgebied ging, wist ik dat als mijn iets zou overkomen Time Magazine voor mijn gezin zou zorgen. Ook wist ik dat als ik een goede foto zou maken, deze gepubliceerd zou worden. Kijk eens hoeveel jonge fotografen in Irak gedood zijn. Voor niets. Niemand zond hen daar. Niemand betaalde hun uitgaven. Ze wilden slechts bekend worden. Bij wie? Als ze een goede foto zouden maken, dan zou Associated Press of Reuters het kopen. Maar om daarvoor gedood te worden? En ze werden gedood.

Hoe is de respons op uw boek?

Zeer goed. Het is nu ook uit in het Hebreeuws uitgegeven. We lanceerden het boek in Londen, Manchester, Tel Aviv en Jeruzalem. Een uitgever in Frankfurt sloot een contract met de Amerikaanse uitgever zonder dat ik er van wist. Ik had ruzie over de voorplaat. Ze wilden een verschrikkelijke voorplaat maken. Ik zei: ik veto dit. Ten slotte vonden we een compromis.

Neemt uw camera mee als u uit gaat?

Steeds. Het is een verzekering. Ik weet dat als ik zonder camera op stap ga, op een dag iets vreselijks voor mijn ogen gebeurd. Als ik de camera bij me heb zal er niets gebeuren. Het is een verzekering.


Foto boven: Cocktailparty ter gelegenheid van het 11-jarig bestaan van de Verenigde Naties, ter huize van Daniel Auster, burgemeester van Jeruzalem. Foto: David Rubinger, GPO.
Dit artikel verscheen ook in Israël Aktueel en op de website van Christenen voor Israël.
%d bloggers liken dit: