Van de weg naar Emmaüs is bijna niets meer over

YAD HASHMONA – Wie 2000 jaar geleden tussen Jeruzalem en Emmaüs heen en weer wilde lopen, moest een goede conditie hebben. De weg uit Jeruzalem naar het westen liep namelijk over een afstand van anderhalve kilometer 200 meter naar beneden. De wandeltocht voerde door een ravijn dat op sommige plekken niet wijder was van vijf meter. Dat zegt de nieuwtestamenticus David Bivin.

David Bivin
Bijbelwetenschapper David Bivin © Alfred Muller

Wie 2000 jaar geleden tussen Jeruzalem en Emmaüs heen en weer wilde lopen, moest een goede conditie hebben, zegt Bivin. De weg vanuit Jeruzalem naar het westen –waar Emmaüs lag– liep namelijk over een afstand van 1,5 kilometer 200 meter naar beneden. De wandeltocht voerde door een ravijn dat op sommige plekken niet breder was dan 5 meter.

Bivin kwam 52 jaar geleden naar Jeruzalem. Zes jaar studeerde hij Joodse geschiedenis en literatuur aan de Hebreeuwse universiteit van Jeruzalem. College volgde hij bij onder anderen de beroemde prof. David Flusser, Joodse specialist van de Tweede Tempelperiode. Bivin schreef verschillende boeken en is hoofdredacteur van de academische website Jerusalem Perspective. De nieuwtestamenticus woont in de Messiaans-Joodse mosjav (gemeenschap) Yad Hashmona, ten westen van Jeruzalem.

Motza

De weg vanuit Jeruzalem naar het westen kwam uit in een vallei, waar het plaatsje Motza lag, vertelt Bivin. Hij en een aantal andere wetenschappers identificeren Motza met het Bijbelse Emmaüs.

In de oudheid reisden mensen via natuurlijke routes. „Dat betekent dat de Emmaüsgangers, discipelen van Jezus, en Jezus Zelf deze weg ook namen toen ze naar Emmaüs wandelden”, zegt hij. „Na Emmaüs liep de weg verder naar plaatsen zoals Jaffa, Ashdod en Ashkelon.”

Overigens was deze weg niet de enige vanuit Jeruzalem. Een andere liep naar het noorden en ging door Benjamin. Dit was ook de route die legers gewoonlijk namen als ze naar Jeruzalem optrokken. En dan waren er nog de wegen naar Jericho in het oosten en Bethlehem en Hebron in het zuiden.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Overblijfselen van de Romeinse weg in 2003. Foto: David Bivin.

Tweede eeuw

Het is niet zeker of de weg in de tijd van de Emmaüsgangers al geplaveid was. Wel speelde die al een belangrijke rol ten tijde van de Makkabeeën, in de tweede en de eerste eeuw voor Christus. In Jeruzalem is zelfs een oud Makkabees fort gevonden.

De meeste archeologen geloven niet dat de Romeinen al voor de Eerste Opstand tegen de Romeinen (67-70 n.Chr.) een wegennetwerk hebben aangelegd. Onder keizer Hadrianus, die regeerde tijdens de opstand van Bar Kochbah (132-135 n.Chr.), vond de aanleg plaats van een uitgebreid wegennetwerk. De keien van de Romeinse weg tussen Jeruzalem en Motza, die hier en daar nog te zien zijn, dateren waarschijnlijk dus uit de tweede eeuw na Christus.

Schilderachtige route

De conditie van de weg is de laatste jaren snel achteruitgegaan. Dat komt door de uitbreiding van de grote begraafplaats Har HaMenuchot ten westen van Jeruzalem.

In 2000 schreef de Israëlische Oudheidkundige Dienst in een rapport dat „met de juiste restauratie er een groot potentieel bestaat voor de ontwikkeling van de weg als een schilderachtige route voor wandelaars (pelgrims) tussen Motza en Jeruzalem.” Bivin vindt het jammer dat deze restauratie niet is uitgevoerd. „Ze schreven niets over christelijk toerisme”, zegt hij. „Maar elke christelijke toeristengroep zou naar de weg gekomen zijn. Er is een hele beweging van Emmaüswandelaars in de rooms-katholieke en protestantse kerken. Er zijn weekendretraites waarbij stilgestaan wordt bij Emmaüs.”

Klein gedeelte

Er is echter nog steeds een kans dat een klein gedeelte van de weg gerestaureerd en beschermd wordt, meent Bivin. „Maar dat moet dan snel gebeuren, want het middengedeelte ervan spoelt weg. Keien vallen van de heuvel naar beneden, waardoor bomen vernield worden. Ik heb mensen ontmoet die zeiden: We kunnen ervoor zorgen dat het geld er komt. Maar ik zei: Je kunt niets als de Oudheidkundige Dienst het niet wil.”

Ook het waterleidingbedrijf maakt gebruik van de oude weg. Een pomp bij Motza stuwt water omhoog naar Jeruzalem, via een pijp die over de weg loopt. Het was volgens Bivin beter geweest de leiding onder de grond aan te leggen. „Wandelaars lopen over de pijplijn omdat de Romeinse weg in zo’n slechte staat is.”

www.jerusalemperspective.com


Een vruchtbaar gebied bij Motza. Foto, Gina Damen. IMG_4109
Motza. Foto: Gina Damen.

Was Motza het Bijbelse Emmaüs?

Waar lag „het vlek” Emmaüs precies? Over de identificatie van sommige Bijbelse plaatsen bestaat onder wetenschappers nagenoeg overeenstemming, maar over andere locaties is de discussie nog aan de gang. Dat laatste geldt ook voor Emmaüs.

Twee van de vier kandidaten kunnen volgens nieuwtestamenticus David Bivin zonder meer worden afgewezen. Dat waren Emmaüs in Abu Gosh en Emmaüs in el-Qubeibeh. „Pas in de middeleeuwen dachten de mensen dat Emmaüs daar lag.”

De enige serieuze plaatsen die volgens Bivin overblijven zijn Nicopolis en Motza. Zelf gelooft hij dat Motza het Bijbelse Emmaüs was. „Nicopolis is te ver van Jeruzalem vandaan om op een dag heen en weer te lopen.”

Bivin en zijn zoon hebben de route van de Westelijke Muur in Jeruzalem naar Motza eens afgelegd. De tocht duurde anderhalf uur. „Kort genoeg dus om op dezelfde dag terug te keren, zoals de Emmaüsgangers deden. Zeker als we bedenken dat in de tijd van het Nieuwe Testament Joden geoefende wandelaars waren.”

Zestig stadiën

De afstand tussen Jeruzalem en Emmaüs was volgens Lukas „zestig stadiën”, oftewel 11 kilometer. Motza ligt 30 stadiën (5,5 kilometer) van Jeruzalem, maar als iemand heen en weer loopt is dit dus precies de juiste afstand. Emmaüs in Nicopolis ligt 160 stadiën (31 kilometer) van Jeruzalem.

De Bijbel noemt Motza al in Jozua 18:26, waar het gespeld wordt als ”Moza”. Motza had bronnen, die zorgden voor kleigrond. Bivin: „Een archeoloog vertelde mij dat alle aardewerk in Jeruzalem gemaakt was van klei uit dit gebied. Ezels droegen de klei van Motza naar Jeruzalem, waar de potten werden gebakken. In Jeruzalem vonden archeologen een oven en potscherven.”

In de vallei van Motza was veel water, weet Bivin. „We zien dat de nieuwe autoweg tussen Tel Aviv en Jeruzalem hier op pijlers is aangelegd. In de Talmoed staat ook dat Joden naar Motza gingen om daar wilgentakken te halen. Die plaatsten ze zo rond het altaar dat ze eroverheen hingen.”

Opstand

Na de Eerste Opstand van de Joden (67-70 n.Chr.) wees keizer Vespasianus hier land toe aan de Romeinse veteranen. Zij noemden de kolonie die zij hier vestigden ”Colonia”. Bivin: „Zij keerden niet terug naar Italië, want daar was weinig land beschikbaar. Romeinse veteranen konden een rijke boer worden in de buitengebieden van het rijk. De Romeinen pakten het land van de plaatselijke bevolking af.

In die tijd waren er twee soorten mensen. Dat waren de rijken, die land bezaten, en de armen, die het land van de rijken moesten bewerken en daar dagloon voor kregen. Motza lag in een mooi gebied. Romeinse veteranen hoefden alleen nog maar hun vrouw uit Italië te halen.”

Voor de Romeinse heersers was het daarnaast belangrijk reservisten ter beschikking te hebben voor het geval er een opstand uitbrak, zegt Bivin. „De veteranen behielden daarom hun zwaard. Ze konden dat blijven gebruiken tot ze 50 of 60 jaar waren.”

In het gebied waren bovendien goede wegen, zodat de soldaten zich snel konden verplaatsen. „Kooplieden die over de weg reisden moesten ook tol betalen.”

Qalunya

Het Arabische dorp dat hier voor de Joodse Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 lag, heette Qalunya. De naam van het plaatsje was ontleend aan de Romeinse naam Colonia.

Midden negentiende eeuw kocht Shaul Yehudi, een Jood uit Bagdad, bij Qalunya land van de Arabieren. Zo werd hier de eerste Joodse boerderij gevestigd.

In 1948 nam het Joodse Haganahleger tijdens Operatie Nachshon het dorp in en werden de Arabieren die er woonden vluchtelingen. Achter het huis van het Arabische dorpshoofd ligt nog altijd een bron. Orthodoxe Joden gaan daar traditiegetrouw nog steeds heen om het water te gebruiken voor de vervaardiging van ongezuurde broden voor Pesach.

Tegenwoordig liggen Motza en Motza Illit (Opper-Motza) langs de autoweg tussen Jeruzalem en Tel Aviv (zie de foto links). De route loopt door een gebied waar natuurschoon steeds meer plaatsmaakt voor de groeiende woonplaatsen ten westen van Israëls hoofdstad.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.


%d bloggers liken dit: